Quran Touch

سُورَةُ الذاريات

Soera Adh-Dhaariyat

Soera 51 · 60 verzen · Mekkaans · Juz 26–27 · Mushaf Pagina 520

Luister naar de hele soera Recitatie: Mishary Rashid Alafasy
Aa
  1. 51:1

    بِسْمِ ٱللَّهِ ٱلرَّحْمَٰنِ ٱلرَّحِيمِ وَٱلذَّٰرِيَٰتِ ذَرْوًا

    Waalththariyati tharwan

    Bij de winden die doen opwaaien.

  2. 51:2

    فَٱلْحَٰمِلَٰتِ وِقْرًا

    Faalhamilati wiqran

    Bij de wolken die een zware last dragen.

  3. 51:3

    فَٱلْجَٰرِيَٰتِ يُسْرًا

    Faaljariyati yusran

    Bij de schepen die gemakkelijk voortdrijven.

  4. 51:4

    فَٱلْمُقَسِّمَٰتِ أَمْرًا

    Faalmuqassimati amran

    Bij de verdelers (de Engelen) die volgens een verordening verdelen.

  5. 51:5

    إِنَّمَا تُوعَدُونَ لَصَادِقٌ

    Innama tooAAadoona lasadiqun

    Voorwaar, wat jullie is aangezegd zal zeker bewaarheid worden.

  6. 51:6

    وَإِنَّ ٱلدِّينَ لَوَٰقِعٌ

    Wainna alddeena lawaqiAAun

    En voorwaar, de (Dag der) Opstanding zal zeker plaatsvinden.

  7. 51:7

    وَٱلسَّمَآءِ ذَاتِ ٱلْحُبُكِ

    Waalssamai thati alhubuki

    Bij de hemel met zijn banen (van sterren en planeten).

  8. 51:8

    إِنَّكُمْ لَفِى قَوْلٍ مُّخْتَلِفٍ

    Innakum lafee qawlin mukhtalifin

    Voorwaar, jullie standpunt (tegenover de Profeet en de Koran) wisselt.

  9. 51:9

    يُؤْفَكُ عَنْهُ مَنْ أُفِكَ

    Yufaku AAanhu man ofika

    Degene die ervan afgewend wordt, die wordt belogen.

  10. 51:10

    قُتِلَ ٱلْخَرَّٰصُونَ

    Qutila alkharrasoona

    Verdoemd zijn de leugenaars!

  11. 51:11

    ٱلَّذِينَ هُمْ فِى غَمْرَةٍ سَاهُونَ

    Allatheena hum fee ghamratin sahoona

    Degenen die in achteloosheid verkeren.

  12. 51:12

    يَسْـَٔلُونَ أَيَّانَ يَوْمُ ٱلدِّينِ

    Yasaloona ayyana yawmu alddeeni

    Zij vragen: "Wanneer is de Dag van de Opstanding?"

  13. 51:13

    يَوْمَ هُمْ عَلَى ٱلنَّارِ يُفْتَنُونَ

    Yawma hum AAala alnnari yuftanoona

    Op die Dag zullen zij in de Hel verbrand worden.

  14. 51:14

    ذُوقُوا۟ فِتْنَتَكُمْ هَٰذَا ٱلَّذِى كُنتُم بِهِۦ تَسْتَعْجِلُونَ

    Thooqoo fitnatakum hatha allathee kuntum bihi tastaAAjiloona

    (De bewaker van de Hel zegt:) "Proeft jullie bestraffing. Dit is waar jullie de bespoediging van vroegen."

  15. 51:15

    إِنَّ ٱلْمُتَّقِينَ فِى جَنَّٰتٍ وَعُيُونٍ

    Inna almuttaqeena fee jannatin waAAuyoonin

    Voorwaar, de Moettaqôen verblijven in Tuinen en bij bronnen (in het Paradijs).

  16. 51:16

    ءَاخِذِينَ مَآ ءَاتَىٰهُمْ رَبُّهُمْ ۚ إِنَّهُمْ كَانُوا۟ قَبْلَ ذَٰلِكَ مُحْسِنِينَ

    Akhitheena ma atahum rabbuhum innahum kanoo qabla thalika muhsineena

    Zij nemen wat hun Heer hun geeft. Voorwaar, zij behoorden voorheen tot de weldoeners.

  17. 51:17

    كَانُوا۟ قَلِيلًا مِّنَ ٱلَّيْلِ مَا يَهْجَعُونَ

    Kanoo qaleelan mina allayli ma yahjaAAoona

    Zij plachten gedurende de nacht weinig te slapen.

  18. 51:18

    وَبِٱلْأَسْحَارِ هُمْ يَسْتَغْفِرُونَ

    Wabialashari hum yastaghfiroona

    En in de laatste uren van de nacht smeekten zij om vergeving.

  19. 51:19

    وَفِىٓ أَمْوَٰلِهِمْ حَقٌّ لِّلسَّآئِلِ وَٱلْمَحْرُومِ

    Wafee amwalihim haqqun lilssaili waalmahroomi

    En van hun bezittingen was een rechtmatig deel voor de bedelaar en voor degene die zich weerhield van bedelen.

  20. 51:20

    وَفِى ٱلْأَرْضِ ءَايَٰتٌ لِّلْمُوقِنِينَ

    Wafee alardi ayatun lilmooqineena

    En op de aarde zijn Tekens voor de overtuigden.

  21. 51:21

    وَفِىٓ أَنفُسِكُمْ ۚ أَفَلَا تُبْصِرُونَ

    Wafee anfusikum afala tubsiroona

    En ook in jullie zelf, zien jullie dan niet?

  22. 51:22

    وَفِى ٱلسَّمَآءِ رِزْقُكُمْ وَمَا تُوعَدُونَ

    Wafee alssamai rizqukum wama tooAAadoona

    En in de hemel is jullie voorziening, en wat jullie is beloofd.

  23. 51:23

    فَوَرَبِّ ٱلسَّمَآءِ وَٱلْأَرْضِ إِنَّهُۥ لَحَقٌّ مِّثْلَ مَآ أَنَّكُمْ تَنطِقُونَ

    Fawarabbi alssamai waalardi innahu lahaqqun mithla ma annakum tantiqoona

    Bij de Heer van de hemel en de aarde: voorwaar, het is zeker waar, zo waar als (het feit) dat jullie spreken.

  24. 51:24

    هَلْ أَتَىٰكَ حَدِيثُ ضَيْفِ إِبْرَٰهِيمَ ٱلْمُكْرَمِينَ

    Hal ataka hadeethu dayfi ibraheema almukrameena

    Heeft de geschiedenis van de geëerde gasten van Ibrahîm jou bereikt?

  25. 51:25

    إِذْ دَخَلُوا۟ عَلَيْهِ فَقَالُوا۟ سَلَٰمًا ۖ قَالَ سَلَٰمٌ قَوْمٌ مُّنكَرُونَ

    Ith dakhaloo AAalayhi faqaloo salaman qala salamun qawmun munkaroona

    Toen zij bij hem kwamen, zeiden zij: "Vrede!" Hij zei: "Vrede!", (en hij dacht bij zichzelf:) "Onbekend volk."

  26. 51:26

    فَرَاغَ إِلَىٰٓ أَهْلِهِۦ فَجَآءَ بِعِجْلٍ سَمِينٍ

    Faragha ila ahlihi fajaa biAAijlin sameenin

    Hij ging toen vlug naar zijn familie en bracht een geroosterd kalf.

  27. 51:27

    فَقَرَّبَهُۥٓ إِلَيْهِمْ قَالَ أَلَا تَأْكُلُونَ

    Faqarrabahu ilayhim qala ala takuloona

    Hij plaatste het daarop vóór hen, en zei: "Eten jullie het niet?"

  28. 51:28

    فَأَوْجَسَ مِنْهُمْ خِيفَةً ۖ قَالُوا۟ لَا تَخَفْ ۖ وَبَشَّرُوهُ بِغُلَٰمٍ عَلِيمٍ

    Faawjasa minhum kheefatan qaloo la takhaf wabashsharoohu bighulamin AAaleemin

    (Maar zij wilden niet eten.) Toen voelde hij angst voor hen. Zij zeiden: "Wees niet bang." En zij verkondigden hem de verheugende tijding over (de geboorte van) een verstandige jongeling (Ishâq).

  29. 51:29

    فَأَقْبَلَتِ ٱمْرَأَتُهُۥ فِى صَرَّةٍ فَصَكَّتْ وَجْهَهَا وَقَالَتْ عَجُوزٌ عَقِيمٌ

    Faaqbalati imraatuhu fee sarratin fasakkat wajhaha waqalat AAajoozun AAaqeemun

    Zijn vrouw kwam schreeuwend naar voren, en zij sloeg zich in haar gezicht, en zei: "Ik ben een oude, onvruchtbare vrouw!"

  30. 51:30

    قَالُوا۟ كَذَٰلِكِ قَالَ رَبُّكِ ۖ إِنَّهُۥ هُوَ ٱلْحَكِيمُ ٱلْعَلِيمُ

    Qaloo kathaliki qala rabbuki innahu huwa alhakeemu alAAaleemu

    Zij zeiden: "Zo heeft jouw Heer gesproken: voorwaar, Hij is de Alwijze, de Alwetende."

  31. 51:31

    ۞ قَالَ فَمَا خَطْبُكُمْ أَيُّهَا ٱلْمُرْسَلُونَ

    Qala fama khatbukum ayyuha almursaloona

    Hij (Ibrâhîm) vroeg: "Wat is jullie boodschap, O gezanten?"

  32. 51:32

    قَالُوٓا۟ إِنَّآ أُرْسِلْنَآ إِلَىٰ قَوْمٍ مُّجْرِمِينَ

    Qaloo inna orsilna ila qawmin mujrimeena

    Zij zeiden: "Voorwaar, wij zijn gezonden naar een volk van misdadigers.

  33. 51:33

    لِنُرْسِلَ عَلَيْهِمْ حِجَارَةً مِّن طِينٍ

    Linursila AAalayhim hijaratan min teenin

    Opdat wij stenen van klei op hen neerzenden.

  34. 51:34

    مُّسَوَّمَةً عِندَ رَبِّكَ لِلْمُسْرِفِينَ

    Musawwamatan AAinda rabbika lilmusrifeena

    Die zijn gekenmerkt bij jouw Heer, voor de overtreders."

  35. 51:35

    فَأَخْرَجْنَا مَن كَانَ فِيهَا مِنَ ٱلْمُؤْمِنِينَ

    Faakhrajna man kana feeha mina almumineena

    Toen deden Wij degenen die daar tot de gelovigen behoorden vertrekken.

  36. 51:36

    فَمَا وَجَدْنَا فِيهَا غَيْرَ بَيْتٍ مِّنَ ٱلْمُسْلِمِينَ

    Fama wajadna feeha ghayra baytin mina almuslimeena

    Maar Wij troffen daar slechts één huis van degenen die zich (aan Allah) overgegeven hadden aan. (het huis van Lôeth)

  37. 51:37

    وَتَرَكْنَا فِيهَآ ءَايَةً لِّلَّذِينَ يَخَافُونَ ٱلْعَذَابَ ٱلْأَلِيمَ

    Watarakna feeha ayatan lillatheena yakhafoona alAAathaba alaleema

    En Wij lieten daar een Teken achter voor degenen die de pijnlijke bestraffing vreesden.

  38. 51:38

    وَفِى مُوسَىٰٓ إِذْ أَرْسَلْنَٰهُ إِلَىٰ فِرْعَوْنَ بِسُلْطَٰنٍ مُّبِينٍ

    Wafee moosa ith arsalnahu ila firAAawna bisultanin mubeenin

    En ook in (de geschiedenis van) Môesa toen Wij hem naar Fir'aun zonden met een duidelijk bewijs.

  39. 51:39

    فَتَوَلَّىٰ بِرُكْنِهِۦ وَقَالَ سَٰحِرٌ أَوْ مَجْنُونٌ

    Fatawalla biruknihi waqala sahirun aw majnoonun

    Hij (Fir'aun) wendde zich af met zijn gevolg, en hij zei: "(Hij is) een tovenaar, of een bezetene!"

  40. 51:40

    فَأَخَذْنَٰهُ وَجُنُودَهُۥ فَنَبَذْنَٰهُمْ فِى ٱلْيَمِّ وَهُوَ مُلِيمٌ

    Faakhathnahu wajunoodahu fanabathnahum fee alyammi wahuwa muleemun

    Daarop grepen Wij hem en zijn legers en wierpen hen in de zee. En hem (Fir'aun) trof de blaam.

  41. 51:41

    وَفِى عَادٍ إِذْ أَرْسَلْنَا عَلَيْهِمُ ٱلرِّيحَ ٱلْعَقِيمَ

    Wafee AAadin ith arsalna AAalayhimu alrreeha alAAaqeema

    En in de 'Âd, toen Wij over hen een verwoestende wind zonden.

  42. 51:42

    مَا تَذَرُ مِن شَىْءٍ أَتَتْ عَلَيْهِ إِلَّا جَعَلَتْهُ كَٱلرَّمِيمِ

    Ma tatharu min shayin atat AAalayhi illa jaAAalathu kaalrrameemi

    Die niets heel liet van wat hij tegenkwam, maar (alles) tot ruïnes maakte.

  43. 51:43

    وَفِى ثَمُودَ إِذْ قِيلَ لَهُمْ تَمَتَّعُوا۟ حَتَّىٰ حِينٍ

    Wafee thamooda ith qeela lahum tamattaAAoo hatta heenin

    En in de Tsamôed, toen tot hen gezegd werd: "Geniet maar, tot een bepaalde tijd."

  44. 51:44

    فَعَتَوْا۟ عَنْ أَمْرِ رَبِّهِمْ فَأَخَذَتْهُمُ ٱلصَّٰعِقَةُ وَهُمْ يَنظُرُونَ

    FaAAataw AAan amri rabbihim faakhathathumu alssaAAiqatu wahum yanthuroona

    Toen waren zij hoogmoedig tegenover het gebod van hun Heer, waarop de bliksemslag hen greep, terwijl zij toezagen.

  45. 51:45

    فَمَا ٱسْتَطَٰعُوا۟ مِن قِيَامٍ وَمَا كَانُوا۟ مُنتَصِرِينَ

    Fama istataAAoo min qiyamin wama kanoo muntasireena

    Toen konden zij niet meer opstaan en zij konden zichzelf niet helpen.

  46. 51:46

    وَقَوْمَ نُوحٍ مِّن قَبْلُ ۖ إِنَّهُمْ كَانُوا۟ قَوْمًا فَٰسِقِينَ

    Waqawma noohin min qablu innahum kanoo qawman fasiqeena

    En het volk van Nôeh van daarvóór: voorwaar, zij waren een zwaar zondig volk.

  47. 51:47

    وَٱلسَّمَآءَ بَنَيْنَٰهَا بِأَيْي۟دٍ وَإِنَّا لَمُوسِعُونَ

    Waalssamaa banaynaha biaydin wainna lamoosiAAoona

    En Wij hebben de hemel met een grote macht gebouwd. En voorwaar, Wij zijn zeker Machtigen.

  48. 51:48

    وَٱلْأَرْضَ فَرَشْنَٰهَا فَنِعْمَ ٱلْمَٰهِدُونَ

    Waalarda farashnaha faniAAma almahidoona

    En Wij hebben de aarde uitgespreid, en de beste Uitspreiders zijn Wij.

  49. 51:49

    وَمِن كُلِّ شَىْءٍ خَلَقْنَا زَوْجَيْنِ لَعَلَّكُمْ تَذَكَّرُونَ

    Wamin kulli shayin khalaqna zawjayni laAAallakum tathakkaroona

    En van alle dingen hebben Wij paren geschapen. Hopelijk zullen jullie je laten vermanen.

  50. 51:50

    فَفِرُّوٓا۟ إِلَى ٱللَّهِ ۖ إِنِّى لَكُم مِّنْهُ نَذِيرٌ مُّبِينٌ

    Fafirroo ila Allahi innee lakum minhu natheerun mubeenun

    (Zeg, O Moehammad) "Vlucht daarom naar Allah: voorwaar, ik ben voor jullie van Hem (voor Zijn bestraffing) een duidelijke waarschuwer.

  51. 51:51

    وَلَا تَجْعَلُوا۟ مَعَ ٱللَّهِ إِلَٰهًا ءَاخَرَ ۖ إِنِّى لَكُم مِّنْهُ نَذِيرٌ مُّبِينٌ

    Wala tajAAaloo maAAa Allahi ilahan akhara innee lakum minhu natheerun mubeenun

    En neemt naast Allah geen andere god: voorwaar, ik ben voor jullie van Hem (voor Zijn bestraffing) een duidelijke waarschuwer."

  52. 51:52

    كَذَٰلِكَ مَآ أَتَى ٱلَّذِينَ مِن قَبْلِهِم مِّن رَّسُولٍ إِلَّا قَالُوا۟ سَاحِرٌ أَوْ مَجْنُونٌ

    Kathalika ma ata allatheena min qablihim min rasoolin illa qaloo sahirun aw majnoonun

    Zo kwam er tot degenen vóór hen geen Boodschapper, of zij zeiden: "(Hij is) een tovenaar, of een bezetene."

  53. 51:53

    أَتَوَاصَوْا۟ بِهِۦ ۚ بَلْ هُمْ قَوْمٌ طَاغُونَ

    Atawasaw bihi bal hum qawmun taghoona

    Dragen zij dit aan elkaar over (van geslacht op geslacht)? Zij zijn zelfs een overtredend volk.

  54. 51:54

    فَتَوَلَّ عَنْهُمْ فَمَآ أَنتَ بِمَلُومٍ

    Fatawalla AAanhum fama anta bimaloomin

    Wend je daarom van hen af, dan wordt jou niets verweten.

  55. 51:55

    وَذَكِّرْ فَإِنَّ ٱلذِّكْرَىٰ تَنفَعُ ٱلْمُؤْمِنِينَ

    Wathakkir fainna alththikra tanfaAAu almumineena

    En vermaan: want voorwaar, de vermaning baat de gelovigen.

  56. 51:56

    وَمَا خَلَقْتُ ٱلْجِنَّ وَٱلْإِنسَ إِلَّا لِيَعْبُدُونِ

    Wama khalaqtu aljinna waalinsa illa liyaAAbudooni

    En Ik heb de Djinn's en de mens slechts geschapen om Mij te dienen.

  57. 51:57

    مَآ أُرِيدُ مِنْهُم مِّن رِّزْقٍ وَمَآ أُرِيدُ أَن يُطْعِمُونِ

    Ma oreedu minhum min rizqin wama oreedu an yutAAimooni

    Ik wens geen voorzieningen van hen, en ik wens niet dat zij Mij voeden.

  58. 51:58

    إِنَّ ٱللَّهَ هُوَ ٱلرَّزَّاقُ ذُو ٱلْقُوَّةِ ٱلْمَتِينُ

    Inna Allaha huwa alrrazzaqu thoo alquwwati almateenu

    Voorwaar, Allah is de Voorziener, de Bezitter van sterke kracht.

  59. 51:59

    فَإِنَّ لِلَّذِينَ ظَلَمُوا۟ ذَنُوبًا مِّثْلَ ذَنُوبِ أَصْحَٰبِهِمْ فَلَا يَسْتَعْجِلُونِ

    Fainna lillatheena thalamoo thanooban mithla thanoobi ashabihim fala yastaAAjiloona

    Voorwaar, de zonden van degenen die onrecht plegen zijn gelijk aan de zonden van hun soortgenoten (in vroegere generaties). Laten zij daarom Mij niet vragen (de bestraffing) te bespoedigen.

  60. 51:60

    فَوَيْلٌ لِّلَّذِينَ كَفَرُوا۟ مِن يَوْمِهِمُ ٱلَّذِى يُوعَدُونَ

    Fawaylun lillatheena kafaroo min yawmihimu allathee yooAAadoona

    Wee dan degenen die ongelovig zijn op hun Dag die aangezegd is.

Vertaling: Sofian S. Siregar (Siregar) — Korantekst en vertaling: Tanzil.net · Audio: EveryAyah.com, QuranicAudio.com

Lees in andere talen

EnglishالعربيةবাংলাاردوBahasa IndonesiaTürkçeFrançaisBahasa MelayuفارسیHausa