Quran Touch

سُورَةُ يس

Soera Yaseen

Soera 36 · 83 verzen · Mekkaans · Juz 22–23 · Mushaf Pagina 440

Luister naar de hele soera Recitatie: Mishary Rashid Alafasy
Aa
  1. 36:1

    بِسْمِ ٱللَّهِ ٱلرَّحْمَٰنِ ٱلرَّحِيمِ يسٓ

    Yaseen

    Ya Sîn.

  2. 36:2

    وَٱلْقُرْءَانِ ٱلْحَكِيمِ

    Waalqurani alhakeemi

    Bij de wijze Koran.

  3. 36:3

    إِنَّكَ لَمِنَ ٱلْمُرْسَلِينَ

    Innaka lamina almursaleena

    Voorwaar, jij (Mohammed) behoort zeker tot de gezanten.

  4. 36:4

    عَلَىٰ صِرَٰطٍ مُّسْتَقِيمٍ

    AAala siratin mustaqeemin

    Op het rechte Pad.

  5. 36:5

    تَنزِيلَ ٱلْعَزِيزِ ٱلرَّحِيمِ

    Tanzeela alAAazeezi alrraheemi

    (Deze Koran) als een neerzending van de Almachtige, de Meest Barmhartige.

  6. 36:6

    لِتُنذِرَ قَوْمًا مَّآ أُنذِرَ ءَابَآؤُهُمْ فَهُمْ غَٰفِلُونَ

    Litunthira qawman ma onthira abaohum fahum ghafiloona

    Opdat jij een volk zal waarschuwen waarvan hun voorvaderen niet gewaarschuwd zijn, zodat zij achtelozen waren.

  7. 36:7

    لَقَدْ حَقَّ ٱلْقَوْلُ عَلَىٰٓ أَكْثَرِهِمْ فَهُمْ لَا يُؤْمِنُونَ

    Laqad haqqa alqawlu AAala aktharihim fahum la yuminoona

    Voorzeker, het woord (van bestraffing) is tegen de meesten van hen bewaarheid omdat zij niet geloven.

  8. 36:8

    إِنَّا جَعَلْنَا فِىٓ أَعْنَٰقِهِمْ أَغْلَٰلًا فَهِىَ إِلَى ٱلْأَذْقَانِ فَهُم مُّقْمَحُونَ

    Inna jaAAalna fee aAAnaqihim aghlalan fahiya ila alathqani fahum muqmahoona

    Voorwaar, Wij hebben om hun nekken ketenen gelegd en die reiken tot de kinnen, zodat hun hoofden opgeheven blijven.

  9. 36:9

    وَجَعَلْنَا مِنۢ بَيْنِ أَيْدِيهِمْ سَدًّا وَمِنْ خَلْفِهِمْ سَدًّا فَأَغْشَيْنَٰهُمْ فَهُمْ لَا يُبْصِرُونَ

    WajaAAalna min bayni aydeehim saddan wamin khalfihim saddan faaghshaynahum fahum la yubsiroona

    En Wij hebben vóór hen een hindernis geplaatst en achter hen een hindernis en Wij hebben hun ogen bedekt, zodat zij niet kunnen zien.

  10. 36:10

    وَسَوَآءٌ عَلَيْهِمْ ءَأَنذَرْتَهُمْ أَمْ لَمْ تُنذِرْهُمْ لَا يُؤْمِنُونَ

    Wasawaon AAalayhim aanthartahum am lam tunthirhum la yuminoona

    En het maakt geen verschil of jij hen waarschuwt of niet waarschuwt, zij geloven niet.

  11. 36:11

    إِنَّمَا تُنذِرُ مَنِ ٱتَّبَعَ ٱلذِّكْرَ وَخَشِىَ ٱلرَّحْمَٰنَ بِٱلْغَيْبِ ۖ فَبَشِّرْهُ بِمَغْفِرَةٍ وَأَجْرٍ كَرِيمٍ

    Innama tunthiru mani ittabaAAa alththikra wakhashiya alrrahmana bialghaybi fabashshirhu bimaghfiratin waajrin kareemin

    Voorwaar, jij kunt slechts waarschuwen wie de Vermaning volgt en de Erbarmer vreest, hoewel hij Hem niet kan waarnemen. Verkondig hem daarom de verheugende tijding van vergeving en een edele beloning.

  12. 36:12

    إِنَّا نَحْنُ نُحْىِ ٱلْمَوْتَىٰ وَنَكْتُبُ مَا قَدَّمُوا۟ وَءَاثَٰرَهُمْ ۚ وَكُلَّ شَىْءٍ أَحْصَيْنَٰهُ فِىٓ إِمَامٍ مُّبِينٍ

    Inna nahnu nuhyee almawta wanaktubu ma qaddamoo waatharahum wakulla shayin ahsaynahu fee imamin mubeenin

    Voorwaar, Wij zijn het Die de doden tot leven brengen en Wij schrijven op wat zij gedaan hebben en (ook) hun sporen. En alle zaken hebben Wij opgesomd in een duidelijk boek.

  13. 36:13

    وَٱضْرِبْ لَهُم مَّثَلًا أَصْحَٰبَ ٱلْقَرْيَةِ إِذْ جَآءَهَا ٱلْمُرْسَلُونَ

    Waidrib lahum mathalan ashaba alqaryati ith jaaha almursaloona

    En geef hen een voorbeeld: de bewoners van de stad toen de gezanten tot haar kwamen.

  14. 36:14

    إِذْ أَرْسَلْنَآ إِلَيْهِمُ ٱثْنَيْنِ فَكَذَّبُوهُمَا فَعَزَّزْنَا بِثَالِثٍ فَقَالُوٓا۟ إِنَّآ إِلَيْكُم مُّرْسَلُونَ

    Ith arsalna ilayhimu ithnayni fakaththaboohuma faAAazzazna bithalithin faqaloo inna ilaykum mursaloona

    Toen Wij er twee tot hen zonden, waarop zij hen loochenden, toen versterkten Wij (hen) met een derde. Zij zeiden toen: "Voorwaar, wij zijn gezanten voor jullie."

  15. 36:15

    قَالُوا۟ مَآ أَنتُمْ إِلَّا بَشَرٌ مِّثْلُنَا وَمَآ أَنزَلَ ٱلرَّحْمَٰنُ مِن شَىْءٍ إِنْ أَنتُمْ إِلَّا تَكْذِبُونَ

    Qaloo ma antum illa basharun mithluna wama anzala alrrahmanu min shayin in antum illa takthiboona

    Zij zeiden: "Jullie zijn slechts mensen zoals wij en de Erbarmer heeft niets neergezonden, jullie doen niets anders dan liegen."

  16. 36:16

    قَالُوا۟ رَبُّنَا يَعْلَمُ إِنَّآ إِلَيْكُمْ لَمُرْسَلُونَ

    Qaloo rabbuna yaAAlamu inna ilaykum lamursaloona

    Zij zeiden: "Voorwaar, onze Heer weet dat wij zeker gezanten voor jullie zijn.

  17. 36:17

    وَمَا عَلَيْنَآ إِلَّا ٱلْبَلَٰغُ ٱلْمُبِينُ

    Wama AAalayna illa albalaghu almubeenu

    En onze taak is slechts het overbrengen van de duidelijke verkondiging.

  18. 36:18

    قَالُوٓا۟ إِنَّا تَطَيَّرْنَا بِكُمْ ۖ لَئِن لَّمْ تَنتَهُوا۟ لَنَرْجُمَنَّكُمْ وَلَيَمَسَّنَّكُم مِّنَّا عَذَابٌ أَلِيمٌ

    Qaloo inna tatayyarna bikum lain lam tantahoo lanarjumannakum walayamassannakum minna AAathabun aleemun

    Zij zeiden: "Voorwaar, wij zien een kwaad lot in jullie, als jullie dan niet ophouden, dan zullen wij jullie zeker stenigen en dan zal jullie zeker een pijnlijke bestraffing van ons treffen."

  19. 36:19

    قَالُوا۟ طَٰٓئِرُكُم مَّعَكُمْ ۚ أَئِن ذُكِّرْتُم ۚ بَلْ أَنتُمْ قَوْمٌ مُّسْرِفُونَ

    Qaloo tairukum maAAakum ain thukkirtum bal antum qawmun musrifoona

    Zij zeiden: "Jullie kwade lot ligt bij jullie zelf, is het omdat jullie vermaand worden? Nee, jullie zijn een buitensporig volk."

  20. 36:20

    وَجَآءَ مِنْ أَقْصَا ٱلْمَدِينَةِ رَجُلٌ يَسْعَىٰ قَالَ يَٰقَوْمِ ٱتَّبِعُوا۟ ٱلْمُرْسَلِينَ

    Wajaa min aqsa almadeenati rajulun yasAAa qala ya qawmi ittabiAAoo almursaleena

    En uit het verste gedeelte van de stad kwam een man aangesneld, die zei: "O mijn volk, volgt de gezanten.

  21. 36:21

    ٱتَّبِعُوا۟ مَن لَّا يَسْـَٔلُكُمْ أَجْرًا وَهُم مُّهْتَدُونَ

    IttabiAAoo man la yasalukum ajran wahum muhtadoona

    Volgt hen die geen beloning van jullie vragen en rechtgeleiden zijn.

  22. 36:22

    وَمَا لِىَ لَآ أَعْبُدُ ٱلَّذِى فَطَرَنِى وَإِلَيْهِ تُرْجَعُونَ

    Wama liya la aAAbudu allathee fataranee wailayhi turjaAAoona

    En waarom zou ik niet Hem aanbidden Die mij heeft geschapen? En tot Hem worden jullie teruggekeerd.

  23. 36:23

    ءَأَتَّخِذُ مِن دُونِهِۦٓ ءَالِهَةً إِن يُرِدْنِ ٱلرَّحْمَٰنُ بِضُرٍّ لَّا تُغْنِ عَنِّى شَفَٰعَتُهُمْ شَيْـًٔا وَلَا يُنقِذُونِ

    Aattakhithu min doonihi alihatan in yuridni alrrahmanu bidurrin la tughni AAannee shafaAAatuhum shayan wala yunqithooni

    Hoe zou ik dan naast Hem goden kunnen nemen? Als de Barmhartige voor mij tegenspoed zou wensen, dan zou hun voorspraak mij niets baten en mij niet redden.

  24. 36:24

    إِنِّىٓ إِذًا لَّفِى ضَلَٰلٍ مُّبِينٍ

    Innee ithan lafee dalalin mubeenin

    Voorwaar, dan zou ik zeker in duidelijke dwaling verkeren.

  25. 36:25

    إِنِّىٓ ءَامَنتُ بِرَبِّكُمْ فَٱسْمَعُونِ

    Innee amantu birabbikum faismaAAooni

    Voorwaar, ik geloof in jullie Heer, luistert daarom."

  26. 36:26

    قِيلَ ٱدْخُلِ ٱلْجَنَّةَ ۖ قَالَ يَٰلَيْتَ قَوْمِى يَعْلَمُونَ

    Qeela odkhuli aljannata qala ya layta qawmee yaAAlamoona

    Er werd gezegd: "Treed het Paradijs binnen." Hij zei: "O wee, wist mijn volk maar.

  27. 36:27

    بِمَا غَفَرَ لِى رَبِّى وَجَعَلَنِى مِنَ ٱلْمُكْرَمِينَ

    Bima ghafara lee rabbee wajaAAalanee mina almukrameena

    Wat mijn Heer mij heeft vergeven en mij tot één van de geëerden heeft gemaakt!"

  28. 36:28

    ۞ وَمَآ أَنزَلْنَا عَلَىٰ قَوْمِهِۦ مِنۢ بَعْدِهِۦ مِن جُندٍ مِّنَ ٱلسَّمَآءِ وَمَا كُنَّا مُنزِلِينَ

    Wama anzalna AAala qawmihi min baAAdihi min jundin mina alssamai wama kunna munzileena

    En Wij hebben na hem geen leger (van engelen) uit de hemel tot zijn volk gezonden, en Wij zonden hen niet.

  29. 36:29

    إِن كَانَتْ إِلَّا صَيْحَةً وَٰحِدَةً فَإِذَا هُمْ خَٰمِدُونَ

    In kanat illa sayhatan wahidatan faitha hum khamidoona

    Het was slechts één bliksemslag en toen waren zij dood.

  30. 36:30

    يَٰحَسْرَةً عَلَى ٱلْعِبَادِ ۚ مَا يَأْتِيهِم مِّن رَّسُولٍ إِلَّا كَانُوا۟ بِهِۦ يَسْتَهْزِءُونَ

    Ya hasratan AAala alAAibadi ma yateehim min rasoolin illa kanoo bihi yastahzioona

    Wat jammer voor de dienaren, er komt geen Boodschapper tot hen, of zij drijven de spot met hem.

  31. 36:31

    أَلَمْ يَرَوْا۟ كَمْ أَهْلَكْنَا قَبْلَهُم مِّنَ ٱلْقُرُونِ أَنَّهُمْ إِلَيْهِمْ لَا يَرْجِعُونَ

    Alam yaraw kam ahlakna qablahum mina alqurooni annahum ilayhim la yarjiAAoona

    Weten zij dan niet hoeveel generaties vóór hen Wij vernietigd hebben? Zij zullen niet tot hun (wereldse levens) terugkeren.

  32. 36:32

    وَإِن كُلٌّ لَّمَّا جَمِيعٌ لَّدَيْنَا مُحْضَرُونَ

    Wain kullun lamma jameeAAun ladayna muhdaroona

    En zij zullen allen bijelkaar bij Ons voorgeleiden zijn.

  33. 36:33

    وَءَايَةٌ لَّهُمُ ٱلْأَرْضُ ٱلْمَيْتَةُ أَحْيَيْنَٰهَا وَأَخْرَجْنَا مِنْهَا حَبًّا فَمِنْهُ يَأْكُلُونَ

    Waayatun lahumu alardu almaytatu ahyaynaha waakhrajna minha habban faminhu yakuloona

    En een teken voor hen is de dode aarde die Wij tot leven doen komen en waaruit Wij graan voortbrengen waarvan zij eten.

  34. 36:34

    وَجَعَلْنَا فِيهَا جَنَّٰتٍ مِّن نَّخِيلٍ وَأَعْنَٰبٍ وَفَجَّرْنَا فِيهَا مِنَ ٱلْعُيُونِ

    WajaAAalna feeha jannatin min nakheelin waaAAnabin wafajjarna feeha mina alAAuyooni

    En Wij hebben daarin tuinen met dadelpalmen en druivenstruiken gemaakt en Wij hebben daarin bronnen doen ontspringen.

  35. 36:35

    لِيَأْكُلُوا۟ مِن ثَمَرِهِۦ وَمَا عَمِلَتْهُ أَيْدِيهِمْ ۖ أَفَلَا يَشْكُرُونَ

    Liyakuloo min thamarihi wama AAamilathu aydeehim afala yashkuroona

    Opdat zij van haar vruchten eten en van wat hun handen hebben verricht. Zijn zij dan niet dankbaar?

  36. 36:36

    سُبْحَٰنَ ٱلَّذِى خَلَقَ ٱلْأَزْوَٰجَ كُلَّهَا مِمَّا تُنۢبِتُ ٱلْأَرْضُ وَمِنْ أَنفُسِهِمْ وَمِمَّا لَا يَعْلَمُونَ

    Subhana allathee khalaqa alazwaja kullaha mimma tunbitu alardu wamin anfusihim wamimma la yaAAlamoona

    Heilig is Degene Die al de soorten heeft geschapen die de aarde voortbrengt en uit henzelf en van wat zij niet weten.

  37. 36:37

    وَءَايَةٌ لَّهُمُ ٱلَّيْلُ نَسْلَخُ مِنْهُ ٱلنَّهَارَ فَإِذَا هُم مُّظْلِمُونَ

    Waayatun lahumu allaylu naslakhu minhu alnnahara faitha hum muthlimoona

    En een Teken voor hen is de nacht waarvan Wij de dag onttrekken, dan bevinden zij zich in de duisternis.

  38. 36:38

    وَٱلشَّمْسُ تَجْرِى لِمُسْتَقَرٍّ لَّهَا ۚ ذَٰلِكَ تَقْدِيرُ ٱلْعَزِيزِ ٱلْعَلِيمِ

    Waalshshamsu tajree limustaqarrin laha thalika taqdeeru alAAazeezi alAAaleemi

    En de zon loopt in haar vaste baan. Dat is de verordening van de Almachtige, de Alwijze.

  39. 36:39

    وَٱلْقَمَرَ قَدَّرْنَٰهُ مَنَازِلَ حَتَّىٰ عَادَ كَٱلْعُرْجُونِ ٱلْقَدِيمِ

    Waalqamara qaddarnahu manazila hatta AAada kaalAAurjooni alqadeemi

    En Wij hebben voor de maan standen bepaald, zodat zij terugkeert als een oud sikkeltje van een dadeltros.

  40. 36:40

    لَا ٱلشَّمْسُ يَنۢبَغِى لَهَآ أَن تُدْرِكَ ٱلْقَمَرَ وَلَا ٱلَّيْلُ سَابِقُ ٱلنَّهَارِ ۚ وَكُلٌّ فِى فَلَكٍ يَسْبَحُونَ

    La alshshamsu yanbaghee laha an tudrika alqamara wala allaylu sabiqu alnnahari wakullun fee falakin yasbahoona

    Het is niet mogelijk dat de zon de maan bereikt en de nacht kan de dag niet inhalen. Allen bewegen in een kringloop.

  41. 36:41

    وَءَايَةٌ لَّهُمْ أَنَّا حَمَلْنَا ذُرِّيَّتَهُمْ فِى ٱلْفُلْكِ ٱلْمَشْحُونِ

    Waayatun lahum anna hamalna thurriyyatahum fee alfulki almashhooni

    En het is een Teken voor hen dat Wij hun nakomelingen dragen in een volgeladen schip.

  42. 36:42

    وَخَلَقْنَا لَهُم مِّن مِّثْلِهِۦ مَا يَرْكَبُونَ

    Wakhalaqna lahum min mithlihi ma yarkaboona

    En Wij hebben voor hen iets dat daarop lijkt geschapen, waarop zij rijden.

  43. 36:43

    وَإِن نَّشَأْ نُغْرِقْهُمْ فَلَا صَرِيخَ لَهُمْ وَلَا هُمْ يُنقَذُونَ

    Wain nasha nughriqhum fala sareekha lahum wala hum yunqathoona

    En als Wij willen, dan doen Wij hen verdrinken en dan zal er geen helper voor hen zijn, en zij zullen niet worden gered.

  44. 36:44

    إِلَّا رَحْمَةً مِّنَّا وَمَتَٰعًا إِلَىٰ حِينٍ

    Illa rahmatan minna wamataAAan ila heenin

    Behalve als een genade van Ons, en als een gunst voor een vastgestelde tijd.

  45. 36:45

    وَإِذَا قِيلَ لَهُمُ ٱتَّقُوا۟ مَا بَيْنَ أَيْدِيكُمْ وَمَا خَلْفَكُمْ لَعَلَّكُمْ تُرْحَمُونَ

    Waitha qeela lahumu ittaqoo ma bayna aydeekum wama khalfakum laAAallakum turhamoona

    En wanneer tot hen wordt gezegd: "Vreest wat vóór jullie en wat achter jullie is, hopelijk zullen jullie begenadigd worden, (toen keerden zij zich af.)"

  46. 36:46

    وَمَا تَأْتِيهِم مِّنْ ءَايَةٍ مِّنْ ءَايَٰتِ رَبِّهِمْ إِلَّا كَانُوا۟ عَنْهَا مُعْرِضِينَ

    Wama tateehim min ayatin min ayati rabbihim illa kanoo AAanha muAArideena

    En er komt geen Teken tot hen, van de Tekenen van hun Heer, of zij wenden zich er van af.

  47. 36:47

    وَإِذَا قِيلَ لَهُمْ أَنفِقُوا۟ مِمَّا رَزَقَكُمُ ٱللَّهُ قَالَ ٱلَّذِينَ كَفَرُوا۟ لِلَّذِينَ ءَامَنُوٓا۟ أَنُطْعِمُ مَن لَّوْ يَشَآءُ ٱللَّهُ أَطْعَمَهُۥٓ إِنْ أَنتُمْ إِلَّا فِى ضَلَٰلٍ مُّبِينٍ

    Waitha qeela lahum anfiqoo mimma razaqakumu Allahu qala allatheena kafaroo lillatheena amanoo anutAAimu man law yashao Allahu atAAamahu in antum illa fee dalalin mubeenin

    En wanneer tot hen wordt gezegd: "Geeft uit van waar Allah jullie mee voorzien heeft," dan zeggen degenen die ongelovig zijn tot degenen die gelovig zijn: "Zouden wij degenen voeden die Hij had kunnen voeden, als Allah het gewild had? Jullie verkeren slechts in duidelijke dwaling."

  48. 36:48

    وَيَقُولُونَ مَتَىٰ هَٰذَا ٱلْوَعْدُ إِن كُنتُمْ صَٰدِقِينَ

    Wayaqooloona mata hatha alwaAAdu in kuntum sadiqeena

    En zij zeggen: "Wanneer zal deze belofte vervuld worden, als jullie waarachtigen zijn?"

  49. 36:49

    مَا يَنظُرُونَ إِلَّا صَيْحَةً وَٰحِدَةً تَأْخُذُهُمْ وَهُمْ يَخِصِّمُونَ

    Ma yanthuroona illa sayhatan wahidatan takhuthuhum wahum yakhissimoona

    Zij wachten op niets anders dan één enkele bliksemslag die hen grijpt terwijl zij redetwisten.

  50. 36:50

    فَلَا يَسْتَطِيعُونَ تَوْصِيَةً وَلَآ إِلَىٰٓ أَهْلِهِمْ يَرْجِعُونَ

    Fala yastateeAAoona tawsiyatan wala ila ahlihim yarjiAAoona

    Dan kunnen zij (elkaar) niet raadplegen en zij kunnen niet tot hun familie terugkeren.

  51. 36:51

    وَنُفِخَ فِى ٱلصُّورِ فَإِذَا هُم مِّنَ ٱلْأَجْدَاثِ إِلَىٰ رَبِّهِمْ يَنسِلُونَ

    Wanufikha fee alssoori faitha hum mina alajdathi ila rabbihim yansiloona

    En er wordt op de bazuin geblazen, daarop snellen zij uit de graven naar hun Heer.

  52. 36:52

    قَالُوا۟ يَٰوَيْلَنَا مَنۢ بَعَثَنَا مِن مَّرْقَدِنَا ۜ ۗ هَٰذَا مَا وَعَدَ ٱلرَّحْمَٰنُ وَصَدَقَ ٱلْمُرْسَلُونَ

    Qaloo ya waylana man baAAathana min marqadina hatha ma waAAada alrrahmanu wasadaqa almursaloona

    Zij zeggen: "Wee ons! Wie heeft ons van onze rustplaatsen doen opstaan? Dat is wat de Barmhartige heeft aangezegd, en de Gezondenen hebben de waarheid gesproken."

  53. 36:53

    إِن كَانَتْ إِلَّا صَيْحَةً وَٰحِدَةً فَإِذَا هُمْ جَمِيعٌ لَّدَيْنَا مُحْضَرُونَ

    In kanat illa sayhatan wahidatan faitha hum jameeAAun ladayna muhdaroona

    Het zal slechts één enkele bliksemslag zijn en dan zullen zij allen bij Ons voorgeleid worden.

  54. 36:54

    فَٱلْيَوْمَ لَا تُظْلَمُ نَفْسٌ شَيْـًٔا وَلَا تُجْزَوْنَ إِلَّا مَا كُنتُمْ تَعْمَلُونَ

    Faalyawma la tuthlamu nafsun shayan wala tujzawna illa ma kuntum taAAmaloona

    Dan zal op deze Dag niemand onrecht aangedaan worden en jullie zullen slechts worden beloond voor wat jullie plachten te doen.

  55. 36:55

    إِنَّ أَصْحَٰبَ ٱلْجَنَّةِ ٱلْيَوْمَ فِى شُغُلٍ فَٰكِهُونَ

    Inna ashaba aljannati alyawma fee shughulin fakihoona

    Voorwaar, de bewoners van het Paradijs zullen op deze Dag bezig zijn te genieten.

  56. 36:56

    هُمْ وَأَزْوَٰجُهُمْ فِى ظِلَٰلٍ عَلَى ٱلْأَرَآئِكِ مُتَّكِـُٔونَ

    Hum waazwajuhum fee thilalin AAala alaraiki muttakioona

    Zij en hun echtgenotes zullen zich in schaduwen bevinden, op rustbanken leunend.

  57. 36:57

    لَهُمْ فِيهَا فَٰكِهَةٌ وَلَهُم مَّا يَدَّعُونَ

    Lahum feeha fakihatun walahum ma yaddaAAoona

    Voor hen zijn er vruchten en voor hen is er wat zij verlangen.

  58. 36:58

    سَلَٰمٌ قَوْلًا مِّن رَّبٍّ رَّحِيمٍ

    Salamun qawlan min rabbin raheemin

    "Salâm!" Een Woord van een Meest Barmhartige Heer.

  59. 36:59

    وَٱمْتَٰزُوا۟ ٱلْيَوْمَ أَيُّهَا ٱلْمُجْرِمُونَ

    Waimtazoo alyawma ayyuha almujrimoona

    Gaat op deze Dag (van de gelovigen) weg, O jullie misdadigers!

  60. 36:60

    ۞ أَلَمْ أَعْهَدْ إِلَيْكُمْ يَٰبَنِىٓ ءَادَمَ أَن لَّا تَعْبُدُوا۟ ٱلشَّيْطَٰنَ ۖ إِنَّهُۥ لَكُمْ عَدُوٌّ مُّبِينٌ

    Alam aAAhad ilaykum ya banee adama an la taAAbudoo alshshaytana innahu lakum AAaduwwun mubeenun

    Heb ik jullie, O kinderen van Adam, niet opgedragen om de Satan niet te dienen? Voorwaar, hij is voor jullie een duidelijke vijand.

  61. 36:61

    وَأَنِ ٱعْبُدُونِى ۚ هَٰذَا صِرَٰطٌ مُّسْتَقِيمٌ

    Waani oAAbudoonee hatha siratun mustaqeemun

    En aanbidt Mij: dat is het rechte Pad.

  62. 36:62

    وَلَقَدْ أَضَلَّ مِنكُمْ جِبِلًّا كَثِيرًا ۖ أَفَلَمْ تَكُونُوا۟ تَعْقِلُونَ

    Walaqad adalla minkum jibillan katheeran afalam takoonoo taAAqiloona

    En voorzeker, hij heeft vele schepselen onder jullie doen dwalen. Gebruikten jullie je verstand dan niet?

  63. 36:63

    هَٰذِهِۦ جَهَنَّمُ ٱلَّتِى كُنتُمْ تُوعَدُونَ

    Hathihi jahannamu allatee kuntum tooAAadoona

    Dit is de Hel waarvoor jullie gewaarschuwd plachen te worden.

  64. 36:64

    ٱصْلَوْهَا ٱلْيَوْمَ بِمَا كُنتُمْ تَكْفُرُونَ

    Islawha alyawma bima kuntum takfuroona

    Gaat haar op deze Dag binnen wegens wat jullie plachten niet te geloven.

  65. 36:65

    ٱلْيَوْمَ نَخْتِمُ عَلَىٰٓ أَفْوَٰهِهِمْ وَتُكَلِّمُنَآ أَيْدِيهِمْ وَتَشْهَدُ أَرْجُلُهُم بِمَا كَانُوا۟ يَكْسِبُونَ

    Alyawma nakhtimu AAala afwahihim watukallimuna aydeehim watashhadu arjuluhum bima kanoo yaksiboona

    Op die Dag plaatsen Wij een zegel op hun monden, en hun handen zullen tot Ons spreken en hun voeten zullen getuigen over wat zij plachten te verrichten.

  66. 36:66

    وَلَوْ نَشَآءُ لَطَمَسْنَا عَلَىٰٓ أَعْيُنِهِمْ فَٱسْتَبَقُوا۟ ٱلصِّرَٰطَ فَأَنَّىٰ يُبْصِرُونَ

    Walaw nashao latamasna AAala aAAyunihim faistabaqoo alssirata faanna yubsiroona

    En als Wij gewild hadden, dan hadden Wij zeker het gezichtvermogen uitgewist van hun ogen, waarna zij een wedloop naar het Pad zouden houden, maar hoe zouden zij (dat) kunnen zien?

  67. 36:67

    وَلَوْ نَشَآءُ لَمَسَخْنَٰهُمْ عَلَىٰ مَكَانَتِهِمْ فَمَا ٱسْتَطَٰعُوا۟ مُضِيًّا وَلَا يَرْجِعُونَ

    Walaw nashao lamasakhnahum AAala makanatihim fama istataAAoo mudiyyan wala yarjiAAoona

    En als Wij gewild hadden, dan hadden Wij hun gestalten veranderd op hun plaatsen (van zondigheid), waarna zij niet weg zouden kunnen gaan en niet terug zouden gaan.

  68. 36:68

    وَمَن نُّعَمِّرْهُ نُنَكِّسْهُ فِى ٱلْخَلْقِ ۖ أَفَلَا يَعْقِلُونَ

    Waman nuAAammirhu nunakkishu fee alkhalqi afala yaAAqiloona

    En voor wie Wij de leeftijd verlengen doen Wij zijn lichaam verzwakken. Denken zij dan niet na?

  69. 36:69

    وَمَا عَلَّمْنَٰهُ ٱلشِّعْرَ وَمَا يَنۢبَغِى لَهُۥٓ ۚ إِنْ هُوَ إِلَّا ذِكْرٌ وَقُرْءَانٌ مُّبِينٌ

    Wama AAallamnahu alshshiAAra wama yanbaghee lahu in huwa illa thikrun waquranun mubeenun

    En Wij hebben hem (Mohammed) het dichten niet onderwezen en het past hem niet. Het is niets dan een Vermaning en een duidelijke Koran.

  70. 36:70

    لِّيُنذِرَ مَن كَانَ حَيًّا وَيَحِقَّ ٱلْقَوْلُ عَلَى ٱلْكَٰفِرِينَ

    Liyunthira man kana hayyan wayahiqqa alqawlu AAala alkafireena

    Opdat hij de levenden zal waarschuwen en opdat het Woord (van bestraffing) voor de ongelovigen bewaarheid wordt.

  71. 36:71

    أَوَلَمْ يَرَوْا۟ أَنَّا خَلَقْنَا لَهُم مِّمَّا عَمِلَتْ أَيْدِينَآ أَنْعَٰمًا فَهُمْ لَهَا مَٰلِكُونَ

    Awalam yaraw anna khalaqna lahum mimma AAamilat aydeena anAAaman fahum laha malikoona

    Zien zij dan niet dat onder wat Onze Handen voor hen geschapen hebben het vee is, zodat zij daarvan bezitter zijn?

  72. 36:72

    وَذَلَّلْنَٰهَا لَهُمْ فَمِنْهَا رَكُوبُهُمْ وَمِنْهَا يَأْكُلُونَ

    Wathallalnaha lahum faminha rakoobuhum waminha yakuloona

    En Wij hebben het (vee) voor hen onderworpen, sommige berijden zij ervan en sommige eten zij.

  73. 36:73

    وَلَهُمْ فِيهَا مَنَٰفِعُ وَمَشَارِبُ ۖ أَفَلَا يَشْكُرُونَ

    Walahum feeha manafiAAu wamasharibu afala yashkuroona

    En voor hen is er nut in en een (bron van) driken. Zijn zij dan niet dankbaar?

  74. 36:74

    وَٱتَّخَذُوا۟ مِن دُونِ ٱللَّهِ ءَالِهَةً لَّعَلَّهُمْ يُنصَرُونَ

    Waittakhathoo min dooni Allahi alihatan laAAallahum yunsaroona

    En zij nemen naast Allah goden in de hoop dat zij geholpen zullen worden.

  75. 36:75

    لَا يَسْتَطِيعُونَ نَصْرَهُمْ وَهُمْ لَهُمْ جُندٌ مُّحْضَرُونَ

    La yastateeAAoona nasrahum wahum lahum jundun muhdaroona

    Zij zijn niet in staat om hen te helpen, en zij (de veelgodenaanbidders) zijn voor hen een leger dat wordt voorgeleid.

  76. 36:76

    فَلَا يَحْزُنكَ قَوْلُهُمْ ۘ إِنَّا نَعْلَمُ مَا يُسِرُّونَ وَمَا يُعْلِنُونَ

    Fala yahzunka qawluhum inna naAAlamu ma yusirroona wama yuAAlinoona

    Laten hun woorden jou daarom niet treurig maken: Voorwaar, Wij weten wat zij verbergen en wat zij openlijk doen.

  77. 36:77

    أَوَلَمْ يَرَ ٱلْإِنسَٰنُ أَنَّا خَلَقْنَٰهُ مِن نُّطْفَةٍ فَإِذَا هُوَ خَصِيمٌ مُّبِينٌ

    Awalam yara alinsanu anna khalaqnahu min nutfatin faitha huwa khaseemun mubeenun

    Ziet de mens niet dat Wij hem uit een druppel hebben geschapen? Toch is hij duidelijk een redetwister.

  78. 36:78

    وَضَرَبَ لَنَا مَثَلًا وَنَسِىَ خَلْقَهُۥ ۖ قَالَ مَن يُحْىِ ٱلْعِظَٰمَ وَهِىَ رَمِيمٌ

    Wadaraba lana mathalan wanasiya khalqahu qala man yuhyee alAAithama wahiya rameemun

    En hij geeft Ons een voorbeeld, terwijl hij vergeet hoe hij zelf geschapen is. Hij zei: "Wie doet de beenderen tot leven komen, terwijl ze gruis zijn?"

  79. 36:79

    قُلْ يُحْيِيهَا ٱلَّذِىٓ أَنشَأَهَآ أَوَّلَ مَرَّةٍ ۖ وَهُوَ بِكُلِّ خَلْقٍ عَلِيمٌ

    Qul yuhyeeha allathee anshaaha awwala marratin wahuwa bikulli khalqin AAaleemun

    Zeg: "Hij Die ze de eerste keer heeft doen ontstaan, Die zal ze doen leven. En Hij is de Kenner van de gehele schepping.

  80. 36:80

    ٱلَّذِى جَعَلَ لَكُم مِّنَ ٱلشَّجَرِ ٱلْأَخْضَرِ نَارًا فَإِذَآ أَنتُم مِّنْهُ تُوقِدُونَ

    Allathee jaAAala lakum mina alshshajari alakhdari naran faitha antum minhu tooqidoona

    (Hij is) Degene Die voor jullie van de groene boom vuur heeft gemaakt. Waarna jullie er een vuur mee ontsteken."

  81. 36:81

    أَوَلَيْسَ ٱلَّذِى خَلَقَ ٱلسَّمَٰوَٰتِ وَٱلْأَرْضَ بِقَٰدِرٍ عَلَىٰٓ أَن يَخْلُقَ مِثْلَهُم ۚ بَلَىٰ وَهُوَ ٱلْخَلَّٰقُ ٱلْعَلِيمُ

    Awalaysa allathee khalaqa alssamawati waalarda biqadirin AAala an yakhluqa mithlahum bala wahuwa alkhallaqu alAAaleemu

    Is Degene Die de hemelen en de aarde heeft geschapen niet bij machte om het gelijke ervan te scheppen? Zeker wel! En Hij is de Schepper, de Alwetende.

  82. 36:82

    إِنَّمَآ أَمْرُهُۥٓ إِذَآ أَرَادَ شَيْـًٔا أَن يَقُولَ لَهُۥ كُن فَيَكُونُ

    Innama amruhu itha arada shayan an yaqoola lahu kun fayakoonu

    Voorwaar, wanneer Hij iets wil (scheppen), dan zegt hij er slechts tegen: "Wees," en het is.

  83. 36:83

    فَسُبْحَٰنَ ٱلَّذِى بِيَدِهِۦ مَلَكُوتُ كُلِّ شَىْءٍ وَإِلَيْهِ تُرْجَعُونَ

    Fasubhana allathee biyadihi malakootu kulli shayin wailayhi turjaAAoona

    Heilig is Degene in Wiens Hand de heerschappij over alle zaken is en tot Hem worden jullie teruggekeerd.

Vertaling: Sofian S. Siregar (Siregar) — Korantekst en vertaling: Tanzil.net · Audio: EveryAyah.com, QuranicAudio.com

Lees in andere talen

EnglishالعربيةবাংলাاردوBahasa IndonesiaTürkçeFrançaisBahasa MelayuفارسیHausa