Quran Touch

Juz 27

Adh-Dhaariyat 51:31 – Al-Hadid 57:29 · 399 verzen

Aa
  1. 51:31

    ۞ قَالَ فَمَا خَطْبُكُمْ أَيُّهَا ٱلْمُرْسَلُونَ

    Qala fama khatbukum ayyuha almursaloona

    Hij (Ibrâhîm) vroeg: "Wat is jullie boodschap, O gezanten?"

  2. 51:32

    قَالُوٓا۟ إِنَّآ أُرْسِلْنَآ إِلَىٰ قَوْمٍ مُّجْرِمِينَ

    Qaloo inna orsilna ila qawmin mujrimeena

    Zij zeiden: "Voorwaar, wij zijn gezonden naar een volk van misdadigers.

  3. 51:33

    لِنُرْسِلَ عَلَيْهِمْ حِجَارَةً مِّن طِينٍ

    Linursila AAalayhim hijaratan min teenin

    Opdat wij stenen van klei op hen neerzenden.

  4. 51:34

    مُّسَوَّمَةً عِندَ رَبِّكَ لِلْمُسْرِفِينَ

    Musawwamatan AAinda rabbika lilmusrifeena

    Die zijn gekenmerkt bij jouw Heer, voor de overtreders."

  5. 51:35

    فَأَخْرَجْنَا مَن كَانَ فِيهَا مِنَ ٱلْمُؤْمِنِينَ

    Faakhrajna man kana feeha mina almumineena

    Toen deden Wij degenen die daar tot de gelovigen behoorden vertrekken.

  6. 51:36

    فَمَا وَجَدْنَا فِيهَا غَيْرَ بَيْتٍ مِّنَ ٱلْمُسْلِمِينَ

    Fama wajadna feeha ghayra baytin mina almuslimeena

    Maar Wij troffen daar slechts één huis van degenen die zich (aan Allah) overgegeven hadden aan. (het huis van Lôeth)

  7. 51:37

    وَتَرَكْنَا فِيهَآ ءَايَةً لِّلَّذِينَ يَخَافُونَ ٱلْعَذَابَ ٱلْأَلِيمَ

    Watarakna feeha ayatan lillatheena yakhafoona alAAathaba alaleema

    En Wij lieten daar een Teken achter voor degenen die de pijnlijke bestraffing vreesden.

  8. 51:38

    وَفِى مُوسَىٰٓ إِذْ أَرْسَلْنَٰهُ إِلَىٰ فِرْعَوْنَ بِسُلْطَٰنٍ مُّبِينٍ

    Wafee moosa ith arsalnahu ila firAAawna bisultanin mubeenin

    En ook in (de geschiedenis van) Môesa toen Wij hem naar Fir'aun zonden met een duidelijk bewijs.

  9. 51:39

    فَتَوَلَّىٰ بِرُكْنِهِۦ وَقَالَ سَٰحِرٌ أَوْ مَجْنُونٌ

    Fatawalla biruknihi waqala sahirun aw majnoonun

    Hij (Fir'aun) wendde zich af met zijn gevolg, en hij zei: "(Hij is) een tovenaar, of een bezetene!"

  10. 51:40

    فَأَخَذْنَٰهُ وَجُنُودَهُۥ فَنَبَذْنَٰهُمْ فِى ٱلْيَمِّ وَهُوَ مُلِيمٌ

    Faakhathnahu wajunoodahu fanabathnahum fee alyammi wahuwa muleemun

    Daarop grepen Wij hem en zijn legers en wierpen hen in de zee. En hem (Fir'aun) trof de blaam.

  11. 51:41

    وَفِى عَادٍ إِذْ أَرْسَلْنَا عَلَيْهِمُ ٱلرِّيحَ ٱلْعَقِيمَ

    Wafee AAadin ith arsalna AAalayhimu alrreeha alAAaqeema

    En in de 'Âd, toen Wij over hen een verwoestende wind zonden.

  12. 51:42

    مَا تَذَرُ مِن شَىْءٍ أَتَتْ عَلَيْهِ إِلَّا جَعَلَتْهُ كَٱلرَّمِيمِ

    Ma tatharu min shayin atat AAalayhi illa jaAAalathu kaalrrameemi

    Die niets heel liet van wat hij tegenkwam, maar (alles) tot ruïnes maakte.

  13. 51:43

    وَفِى ثَمُودَ إِذْ قِيلَ لَهُمْ تَمَتَّعُوا۟ حَتَّىٰ حِينٍ

    Wafee thamooda ith qeela lahum tamattaAAoo hatta heenin

    En in de Tsamôed, toen tot hen gezegd werd: "Geniet maar, tot een bepaalde tijd."

  14. 51:44

    فَعَتَوْا۟ عَنْ أَمْرِ رَبِّهِمْ فَأَخَذَتْهُمُ ٱلصَّٰعِقَةُ وَهُمْ يَنظُرُونَ

    FaAAataw AAan amri rabbihim faakhathathumu alssaAAiqatu wahum yanthuroona

    Toen waren zij hoogmoedig tegenover het gebod van hun Heer, waarop de bliksemslag hen greep, terwijl zij toezagen.

  15. 51:45

    فَمَا ٱسْتَطَٰعُوا۟ مِن قِيَامٍ وَمَا كَانُوا۟ مُنتَصِرِينَ

    Fama istataAAoo min qiyamin wama kanoo muntasireena

    Toen konden zij niet meer opstaan en zij konden zichzelf niet helpen.

  16. 51:46

    وَقَوْمَ نُوحٍ مِّن قَبْلُ ۖ إِنَّهُمْ كَانُوا۟ قَوْمًا فَٰسِقِينَ

    Waqawma noohin min qablu innahum kanoo qawman fasiqeena

    En het volk van Nôeh van daarvóór: voorwaar, zij waren een zwaar zondig volk.

  17. 51:47

    وَٱلسَّمَآءَ بَنَيْنَٰهَا بِأَيْي۟دٍ وَإِنَّا لَمُوسِعُونَ

    Waalssamaa banaynaha biaydin wainna lamoosiAAoona

    En Wij hebben de hemel met een grote macht gebouwd. En voorwaar, Wij zijn zeker Machtigen.

  18. 51:48

    وَٱلْأَرْضَ فَرَشْنَٰهَا فَنِعْمَ ٱلْمَٰهِدُونَ

    Waalarda farashnaha faniAAma almahidoona

    En Wij hebben de aarde uitgespreid, en de beste Uitspreiders zijn Wij.

  19. 51:49

    وَمِن كُلِّ شَىْءٍ خَلَقْنَا زَوْجَيْنِ لَعَلَّكُمْ تَذَكَّرُونَ

    Wamin kulli shayin khalaqna zawjayni laAAallakum tathakkaroona

    En van alle dingen hebben Wij paren geschapen. Hopelijk zullen jullie je laten vermanen.

  20. 51:50

    فَفِرُّوٓا۟ إِلَى ٱللَّهِ ۖ إِنِّى لَكُم مِّنْهُ نَذِيرٌ مُّبِينٌ

    Fafirroo ila Allahi innee lakum minhu natheerun mubeenun

    (Zeg, O Moehammad) "Vlucht daarom naar Allah: voorwaar, ik ben voor jullie van Hem (voor Zijn bestraffing) een duidelijke waarschuwer.

  21. 51:51

    وَلَا تَجْعَلُوا۟ مَعَ ٱللَّهِ إِلَٰهًا ءَاخَرَ ۖ إِنِّى لَكُم مِّنْهُ نَذِيرٌ مُّبِينٌ

    Wala tajAAaloo maAAa Allahi ilahan akhara innee lakum minhu natheerun mubeenun

    En neemt naast Allah geen andere god: voorwaar, ik ben voor jullie van Hem (voor Zijn bestraffing) een duidelijke waarschuwer."

  22. 51:52

    كَذَٰلِكَ مَآ أَتَى ٱلَّذِينَ مِن قَبْلِهِم مِّن رَّسُولٍ إِلَّا قَالُوا۟ سَاحِرٌ أَوْ مَجْنُونٌ

    Kathalika ma ata allatheena min qablihim min rasoolin illa qaloo sahirun aw majnoonun

    Zo kwam er tot degenen vóór hen geen Boodschapper, of zij zeiden: "(Hij is) een tovenaar, of een bezetene."

  23. 51:53

    أَتَوَاصَوْا۟ بِهِۦ ۚ بَلْ هُمْ قَوْمٌ طَاغُونَ

    Atawasaw bihi bal hum qawmun taghoona

    Dragen zij dit aan elkaar over (van geslacht op geslacht)? Zij zijn zelfs een overtredend volk.

  24. 51:54

    فَتَوَلَّ عَنْهُمْ فَمَآ أَنتَ بِمَلُومٍ

    Fatawalla AAanhum fama anta bimaloomin

    Wend je daarom van hen af, dan wordt jou niets verweten.

  25. 51:55

    وَذَكِّرْ فَإِنَّ ٱلذِّكْرَىٰ تَنفَعُ ٱلْمُؤْمِنِينَ

    Wathakkir fainna alththikra tanfaAAu almumineena

    En vermaan: want voorwaar, de vermaning baat de gelovigen.

  26. 51:56

    وَمَا خَلَقْتُ ٱلْجِنَّ وَٱلْإِنسَ إِلَّا لِيَعْبُدُونِ

    Wama khalaqtu aljinna waalinsa illa liyaAAbudooni

    En Ik heb de Djinn's en de mens slechts geschapen om Mij te dienen.

  27. 51:57

    مَآ أُرِيدُ مِنْهُم مِّن رِّزْقٍ وَمَآ أُرِيدُ أَن يُطْعِمُونِ

    Ma oreedu minhum min rizqin wama oreedu an yutAAimooni

    Ik wens geen voorzieningen van hen, en ik wens niet dat zij Mij voeden.

  28. 51:58

    إِنَّ ٱللَّهَ هُوَ ٱلرَّزَّاقُ ذُو ٱلْقُوَّةِ ٱلْمَتِينُ

    Inna Allaha huwa alrrazzaqu thoo alquwwati almateenu

    Voorwaar, Allah is de Voorziener, de Bezitter van sterke kracht.

  29. 51:59

    فَإِنَّ لِلَّذِينَ ظَلَمُوا۟ ذَنُوبًا مِّثْلَ ذَنُوبِ أَصْحَٰبِهِمْ فَلَا يَسْتَعْجِلُونِ

    Fainna lillatheena thalamoo thanooban mithla thanoobi ashabihim fala yastaAAjiloona

    Voorwaar, de zonden van degenen die onrecht plegen zijn gelijk aan de zonden van hun soortgenoten (in vroegere generaties). Laten zij daarom Mij niet vragen (de bestraffing) te bespoedigen.

  30. 51:60

    فَوَيْلٌ لِّلَّذِينَ كَفَرُوا۟ مِن يَوْمِهِمُ ٱلَّذِى يُوعَدُونَ

    Fawaylun lillatheena kafaroo min yawmihimu allathee yooAAadoona

    Wee dan degenen die ongelovig zijn op hun Dag die aangezegd is.

  31. Soera At-Tur سُورَةُ الطور
  32. 52:1

    بِسْمِ ٱللَّهِ ٱلرَّحْمَٰنِ ٱلرَّحِيمِ وَٱلطُّورِ

    Waalttoori

    Bij de berg (Sinaï).

  33. 52:2

    وَكِتَٰبٍ مَّسْطُورٍ

    Wakitabin mastoorin

    Bij een geschreven Boek.

  34. 52:3

    فِى رَقٍّ مَّنشُورٍ

    Fee raqqin manshoorin

    In een opengerold perkament.

  35. 52:4

    وَٱلْبَيْتِ ٱلْمَعْمُورِ

    Waalbayti almaAAmoori

    Bij het veel bezochte Huis (de Ka'bah).

  36. 52:5

    وَٱلسَّقْفِ ٱلْمَرْفُوعِ

    Waalssaqfi almarfooAAi

    En het opgeheven gewelf (de hemel).

  37. 52:6

    وَٱلْبَحْرِ ٱلْمَسْجُورِ

    Waalbahri almasjoori

    En de kolkende zee.

  38. 52:7

    إِنَّ عَذَابَ رَبِّكَ لَوَٰقِعٌ

    Inna AAathaba rabbika lawaqiAAun

    Voorwaar, de bestraffing van jouw Heer zal zeker plaatsvinden.

  39. 52:8

    مَّا لَهُۥ مِن دَافِعٍ

    Ma lahu min dafiAAin

    Niemand kan hem tegenhouden.

  40. 52:9

    يَوْمَ تَمُورُ ٱلسَّمَآءُ مَوْرًا

    Yawma tamooru alssamao mawran

    Op de Dag waarop de hemel heftig beeft.

  41. 52:10

    وَتَسِيرُ ٱلْجِبَالُ سَيْرًا

    Wataseeru aljibalu sayran

    En de bergen zich verplaatsen.

  42. 52:11

    فَوَيْلٌ يَوْمَئِذٍ لِّلْمُكَذِّبِينَ

    Fawaylun yawmaithin lilmukaththibeena

    Wee op die Dag de loochenaars.

  43. 52:12

    ٱلَّذِينَ هُمْ فِى خَوْضٍ يَلْعَبُونَ

    Allatheena hum fee khawdin yalAAaboona

    Degenen die zich vermaken met ijdelheden.

  44. 52:13

    يَوْمَ يُدَعُّونَ إِلَىٰ نَارِ جَهَنَّمَ دَعًّا

    Yawma yudaAAAAoona ila nari jahannama daAAAAan

    Op die Dag zullen zij met geweld naar de Hel worden geduwd.

  45. 52:14

    هَٰذِهِ ٱلنَّارُ ٱلَّتِى كُنتُم بِهَا تُكَذِّبُونَ

    Hathihi alnnaru allatee kuntum biha tukaththiboona

    (En er zal gezegd worden:) "Dit is de Hel die jullie plachten te loochenen.

  46. 52:15

    أَفَسِحْرٌ هَٰذَآ أَمْ أَنتُمْ لَا تُبْصِرُونَ

    Afasihrun hatha am antum la tubsiroona

    Is dit dan toverij? Of kunnen jullie niet zien?

  47. 52:16

    ٱصْلَوْهَا فَٱصْبِرُوٓا۟ أَوْ لَا تَصْبِرُوا۟ سَوَآءٌ عَلَيْكُمْ ۖ إِنَّمَا تُجْزَوْنَ مَا كُنتُمْ تَعْمَلُونَ

    Islawha faisbiroo aw la tasbiroo sawaon AAalaykum innama tujzawna ma kuntum taAAmaloona

    Gaat haar binnen en weest geduldig of weest ongeduldig; het zal voor jullie niets uitmaken. Voorwaar, jullie worden slechts vergolden naar wat jullie plachten te verrichtten."

  48. 52:17

    إِنَّ ٱلْمُتَّقِينَ فِى جَنَّٰتٍ وَنَعِيمٍ

    Inna almuttaqeena fee jannatin wanaAAeemin

    Voorwaar, de Moettaqôen bevinden zich in Tuinen (het Paradijs) en in genietingen.

  49. 52:18

    فَٰكِهِينَ بِمَآ ءَاتَىٰهُمْ رَبُّهُمْ وَوَقَىٰهُمْ رَبُّهُمْ عَذَابَ ٱلْجَحِيمِ

    Fakiheena bima atahum rabbuhum wawaqahum rabbuhum AAathaba aljaheemi

    Zich verheugend over wat hun Heer hun heeft gegeven. En hun Heer heeft hen behoed voor de straf van de Hel.

  50. 52:19

    كُلُوا۟ وَٱشْرَبُوا۟ هَنِيٓـًٔۢا بِمَا كُنتُمْ تَعْمَلُونَ

    Kuloo waishraboo haneean bima kuntum taAAmaloona

    (Er wordt gezegd:) "Eet en drinkt smakelijk wegens wat jullie plachten te verrichten."

  51. 52:20

    مُتَّكِـِٔينَ عَلَىٰ سُرُرٍ مَّصْفُوفَةٍ ۖ وَزَوَّجْنَٰهُم بِحُورٍ عِينٍ

    Muttakieena AAala sururin masfoofatin wazawwajnahum bihoorin AAeenin

    Leunend op rustbanken, tegenover elkaar. En Wij zullen hen huwen met schone maagden.

  52. 52:21

    وَٱلَّذِينَ ءَامَنُوا۟ وَٱتَّبَعَتْهُمْ ذُرِّيَّتُهُم بِإِيمَٰنٍ أَلْحَقْنَا بِهِمْ ذُرِّيَّتَهُمْ وَمَآ أَلَتْنَٰهُم مِّنْ عَمَلِهِم مِّن شَىْءٍ ۚ كُلُّ ٱمْرِئٍۭ بِمَا كَسَبَ رَهِينٌ

    Waallatheena amanoo waittabaAAathum thurriyyatuhum bieemanin alhaqna bihim thurriyyatahum wama alatnahum min AAamalihim min shayin kullu imriin bima kasaba raheenun

    En degenen die geloven en die in het geloof gevolgd worden door hun nakomelingen: Wij voegen hun nakomelingen bij hen en Wij verminderen (de beloning voor) hun daden niet. Ieder mens staat borg voor wat hij verrichtte.

  53. 52:22

    وَأَمْدَدْنَٰهُم بِفَٰكِهَةٍ وَلَحْمٍ مِّمَّا يَشْتَهُونَ

    Waamdadnahum bifakihatin walahmin mimma yashtahoona

    En Wij geven hun vruchten en vlees, van welke soort zij wensen.

  54. 52:23

    يَتَنَٰزَعُونَ فِيهَا كَأْسًا لَّا لَغْوٌ فِيهَا وَلَا تَأْثِيمٌ

    YatanazaAAoona feeha kasan la laghwun feeha wala tatheemun

    Zij reiken daar elkaar een beker aan waarbij geen onzin en geen zondigheid is.

  55. 52:24

    ۞ وَيَطُوفُ عَلَيْهِمْ غِلْمَانٌ لَّهُمْ كَأَنَّهُمْ لُؤْلُؤٌ مَّكْنُونٌ

    Wayatoofu AAalayhim ghilmanun lahum kaannahum luluon maknoonun

    En onder hen gaan jongelingen rond die lijken op welbewaarde parels.

  56. 52:25

    وَأَقْبَلَ بَعْضُهُمْ عَلَىٰ بَعْضٍ يَتَسَآءَلُونَ

    Waaqbala baAAduhum AAala baAAdin yatasaaloona

    Zij zullen zich tot elkaar wenden en elkaar vragen stellen.

  57. 52:26

    قَالُوٓا۟ إِنَّا كُنَّا قَبْلُ فِىٓ أَهْلِنَا مُشْفِقِينَ

    Qaloo inna kunna qablu fee ahlina mushfiqeena

    Zij zeggen: "Voorwaar, wij waren vroeger temidden van onze verwanten bevreesd (voor Allah).

  58. 52:27

    فَمَنَّ ٱللَّهُ عَلَيْنَا وَوَقَىٰنَا عَذَابَ ٱلسَّمُومِ

    Famanna Allahu AAalayna wawaqana AAathaba alssamoomi

    Allah begenadigde ons toen en Hij behoedde ons voor de bestraffing van de verschroeiende wind.

  59. 52:28

    إِنَّا كُنَّا مِن قَبْلُ نَدْعُوهُ ۖ إِنَّهُۥ هُوَ ٱلْبَرُّ ٱلرَّحِيمُ

    Inna kunna min qablu nadAAoohu innahu huwa albarru alrraheemu

    Voorwaar, Wij plachten Hem vroeger aan te roepen: voorwaar, Hij is de Weldoener, de Meest Barmhartige."

  60. 52:29

    فَذَكِّرْ فَمَآ أَنتَ بِنِعْمَتِ رَبِّكَ بِكَاهِنٍ وَلَا مَجْنُونٍ

    Fathakkir fama anta biniAAmati rabbika bikahin wala majnoonin

    Vermaan daarom, jij bent door de Genade van jouw Heer geen waarzegger en geen bezetene.

  61. 52:30

    أَمْ يَقُولُونَ شَاعِرٌ نَّتَرَبَّصُ بِهِۦ رَيْبَ ٱلْمَنُونِ

    Am yaqooloona shaAAirun natarabbasu bihi rayba almanooni

    Of zeggen zij: "Een dichter, wij wachten af of het noodlot hem met ongeluk zal treffen."

  62. 52:31

    قُلْ تَرَبَّصُوا۟ فَإِنِّى مَعَكُم مِّنَ ٱلْمُتَرَبِّصِينَ

    Qul tarabbasoo fainnee maAAakum mina almutarabbiseena

    Zeg (O Moehammad): "Wacht maar af: voorwaar, Ik behoor met jullie tot de afwachtenden."

  63. 52:32

    أَمْ تَأْمُرُهُمْ أَحْلَٰمُهُم بِهَٰذَآ ۚ أَمْ هُمْ قَوْمٌ طَاغُونَ

    Am tamuruhum ahlamuhum bihatha am hum qawmun taghoona

    Of beveelt hun verstand hun dit, of zijn zij een overtredend volk?

  64. 52:33

    أَمْ يَقُولُونَ تَقَوَّلَهُۥ ۚ بَل لَّا يُؤْمِنُونَ

    Am yaqooloona taqawwalahu bal la yuminoona

    Of zeggen zij: "Hij heeft hem (de Koran) verzonnen"? Nee, zij geloven niet.

  65. 52:34

    فَلْيَأْتُوا۟ بِحَدِيثٍ مِّثْلِهِۦٓ إِن كَانُوا۟ صَٰدِقِينَ

    Falyatoo bihadeethin mithlihi in kanoo sadiqeena

    Laten zij dan een bericht brengen dat daaraan gelijk is, als zij waarachtigen zijn.

  66. 52:35

    أَمْ خُلِقُوا۟ مِنْ غَيْرِ شَىْءٍ أَمْ هُمُ ٱلْخَٰلِقُونَ

    Am khuliqoo min ghayri shayin am humu alkhaliqoona

    Of zijn zij uit niets geschapen, of zijn zij (zelf) de scheppers?

  67. 52:36

    أَمْ خَلَقُوا۟ ٱلسَّمَٰوَٰتِ وَٱلْأَرْضَ ۚ بَل لَّا يُوقِنُونَ

    Am khalaqoo alssamawati waalarda bal la yooqinoona

    Of hebben zij de hemelen en de aarde geschapen? Zelfs zij zijn er niet van overtuigd.

  68. 52:37

    أَمْ عِندَهُمْ خَزَآئِنُ رَبِّكَ أَمْ هُمُ ٱلْمُصَۣيْطِرُونَ

    Am AAindahum khazainu rabbika am humu almusaytiroona

    Of bevinden zich bij hen de schaften van jouw Heer, of hebben zij de heerschappij?

  69. 52:38

    أَمْ لَهُمْ سُلَّمٌ يَسْتَمِعُونَ فِيهِ ۖ فَلْيَأْتِ مُسْتَمِعُهُم بِسُلْطَٰنٍ مُّبِينٍ

    Am lahum sullamun yastamiAAoona feehi falyati mustamiAAuhum bisultanin mubeenin

    Of beschikken zij over een ladder (die tot in de hemel reikt) waarop zij kunnen afluisteren? Laat dan de afluisteraar onder hen met een duidelijk bewijs komen.

  70. 52:39

    أَمْ لَهُ ٱلْبَنَٰتُ وَلَكُمُ ٱلْبَنُونَ

    Am lahu albanatu walakumu albanoona

    Of zijn voor Hem de dochters en voor jullie de zonen?

  71. 52:40

    أَمْ تَسْـَٔلُهُمْ أَجْرًا فَهُم مِّن مَّغْرَمٍ مُّثْقَلُونَ

    Am tasaluhum ajran fahum min maghramin muthqaloona

    Of vraag jij van hen een beloning, zodat zij belast zijn met een schuld?

  72. 52:41

    أَمْ عِندَهُمُ ٱلْغَيْبُ فَهُمْ يَكْتُبُونَ

    Am AAindahumu alghaybu fahum yaktuboona

    Of is bij hen het onwaarneembare, zodat zij het kunnen opschrijven?

  73. 52:42

    أَمْ يُرِيدُونَ كَيْدًا ۖ فَٱلَّذِينَ كَفَرُوا۟ هُمُ ٱلْمَكِيدُونَ

    Am yureedoona kaydan faallatheena kafaroo humu almakeedoona

    Of willen zij een list beramen? Degenen die niet geloven zijn degenen die in een list versrikt raken.

  74. 52:43

    أَمْ لَهُمْ إِلَٰهٌ غَيْرُ ٱللَّهِ ۚ سُبْحَٰنَ ٱللَّهِ عَمَّا يُشْرِكُونَ

    Am lahum ilahun ghayru Allahi subhana Allahi AAamma yushrikoona

    Of hebben zij een andere god dan Allah? Heilig is Allah, boven de deelgenoten die zij (Hem) toekennen.

  75. 52:44

    وَإِن يَرَوْا۟ كِسْفًا مِّنَ ٱلسَّمَآءِ سَاقِطًا يَقُولُوا۟ سَحَابٌ مَّرْكُومٌ

    Wain yaraw kisfan mina alssamai saqitan yaqooloo sahabun markoomun

    En als zij een stuk uit de hemel (zouden) zien neerstorten, dan zeggen zij: "Stapelwolken."

  76. 52:45

    فَذَرْهُمْ حَتَّىٰ يُلَٰقُوا۟ يَوْمَهُمُ ٱلَّذِى فِيهِ يُصْعَقُونَ

    Fatharhum hatta yulaqoo yawmahumu allathee feehi yusAAaqoona

    Laat hen maar, totdat zij hun Dag ontmoeten waarop zij door de bliksemslag getroffen zullen worden.

  77. 52:46

    يَوْمَ لَا يُغْنِى عَنْهُمْ كَيْدُهُمْ شَيْـًٔا وَلَا هُمْ يُنصَرُونَ

    Yawma la yughnee AAanhum kayduhum shayan wala hum yunsaroona

    Op die Dag zal hun list niets baten, en zij zullen niet worden geholpen.

  78. 52:47

    وَإِنَّ لِلَّذِينَ ظَلَمُوا۟ عَذَابًا دُونَ ذَٰلِكَ وَلَٰكِنَّ أَكْثَرَهُمْ لَا يَعْلَمُونَ

    Wainna lillatheena thalamoo AAathaban doona thalika walakinna aktharahum la yaAAlamoona

    En voorwaar, voor degenen die onrecht pleegden is er daarnaast nog een bestraffing, maar de meesten van hen weten het niet.

  79. 52:48

    وَٱصْبِرْ لِحُكْمِ رَبِّكَ فَإِنَّكَ بِأَعْيُنِنَا ۖ وَسَبِّحْ بِحَمْدِ رَبِّكَ حِينَ تَقُومُ

    Waisbir lihukmi rabbika fainnaka biaAAyunina wasabbih bihamdi rabbika heena taqoomu

    Wees geduldig met de beschikking van jouw Heer. Voorwaar, jij bent in Onze Ogen. En prijs de Glorie van jouw Heer wanneer jij staat.

  80. 52:49

    وَمِنَ ٱلَّيْلِ فَسَبِّحْهُ وَإِدْبَٰرَ ٱلنُّجُومِ

    Wamina allayli fasabbihhu waidbara alnnujoomi

    En in de nacht, prijst Zijn Glorie, en (ook) bij het vervagen van de sterren (in de vroege ochtend).

  81. Soera An-Najm سُورَةُ النجم
  82. 53:1

    بِسْمِ ٱللَّهِ ٱلرَّحْمَٰنِ ٱلرَّحِيمِ وَٱلنَّجْمِ إِذَا هَوَىٰ

    Waalnnajmi itha hawa

    Bij de ster wanneer zij valt.

  83. 53:2

    مَا ضَلَّ صَاحِبُكُمْ وَمَا غَوَىٰ

    Ma dalla sahibukum wama ghawa

    Jullie metgezel (de Profeet) dwaalt niet en hij is niet misleid.

  84. 53:3

    وَمَا يَنطِقُ عَنِ ٱلْهَوَىٰٓ

    Wama yantiqu AAani alhawa

    En hij spreekt niet uit begeerte.

  85. 53:4

    إِنْ هُوَ إِلَّا وَحْىٌ يُوحَىٰ

    In huwa illa wahyun yooha

    Het is niets anders dan een Openbaring die aan hem geopenbaard is.

  86. 53:5

    عَلَّمَهُۥ شَدِيدُ ٱلْقُوَىٰ

    AAallamahu shadeedu alquwa

    Een machtige in kracht (Djibrîl) onderwees hem.

  87. 53:6

    ذُو مِرَّةٍ فَٱسْتَوَىٰ

    Thoo mirratin faistawa

    Een bezitter van wijsheid, en hij (Djibrîl) verscheen (in zijn aardse vorm).

  88. 53:7

    وَهُوَ بِٱلْأُفُقِ ٱلْأَعْلَىٰ

    Wahuwa bialofuqi alaAAla

    En hij bevond zich aan de hoogste horizon.

  89. 53:8

    ثُمَّ دَنَا فَتَدَلَّىٰ

    Thumma dana fatadalla

    Daarna naderde hij en daalde neer.

  90. 53:9

    فَكَانَ قَابَ قَوْسَيْنِ أَوْ أَدْنَىٰ

    Fakana qaba qawsayni aw adna

    Zodat hij zich op een afstand van twee booglengten (van Moehammad) bevond, of dichterbij.

  91. 53:10

    فَأَوْحَىٰٓ إِلَىٰ عَبْدِهِۦ مَآ أَوْحَىٰ

    Faawha ila AAabdihi ma awha

    Toen openbaarde Hij aan Zijn dienaar wat Hij openbaarde.

  92. 53:11

    مَا كَذَبَ ٱلْفُؤَادُ مَا رَأَىٰٓ

    Ma kathaba alfuadu ma raa

    Het hart (van de Profeet) loog niet over wat het zag.

  93. 53:12

    أَفَتُمَٰرُونَهُۥ عَلَىٰ مَا يَرَىٰ

    Afatumaroonahu AAala ma yara

    Willen jullie (veelgodenaanbidders) dan redetwisten over wat hij zag?

  94. 53:13

    وَلَقَدْ رَءَاهُ نَزْلَةً أُخْرَىٰ

    Walaqad raahu nazlatan okhra

    En voorzeker, hij (Moehammad) heeft hem (Djibrîl) bij een andere neerdaling gezien.

  95. 53:14

    عِندَ سِدْرَةِ ٱلْمُنتَهَىٰ

    AAinda sidrati almuntaha

    Bij Sidratilmoentaha.

  96. 53:15

    عِندَهَا جَنَّةُ ٱلْمَأْوَىٰٓ

    AAindaha jannatu almawa

    Daarbij is de Tuin van de Verblijfplaats (het Paradijs).

  97. 53:16

    إِذْ يَغْشَى ٱلسِّدْرَةَ مَا يَغْشَىٰ

    Ith yaghsha alssidrata ma yaghsha

    Toen de Sidrah omhuld werd door wat hem omhulde.

  98. 53:17

    مَا زَاغَ ٱلْبَصَرُ وَمَا طَغَىٰ

    Ma zagha albasaru wama tagha

    Zijn blik week niet en dwaalde niet.

  99. 53:18

    لَقَدْ رَأَىٰ مِنْ ءَايَٰتِ رَبِّهِ ٱلْكُبْرَىٰٓ

    Laqad raa min ayati rabbihi alkubra

    Voorzeker, hij heeft de grote Tekenen van zijn Heer gezien.

  100. 53:19

    أَفَرَءَيْتُمُ ٱللَّٰتَ وَٱلْعُزَّىٰ

    Afaraaytumu allata waalAAuzza

    Zien jullie (veelgodenaanbidders) dan al Lâta en al 'Oezza?

  101. 53:20

    وَمَنَوٰةَ ٱلثَّالِثَةَ ٱلْأُخْرَىٰٓ

    Wamanata alththalithata alokhra

    En al Manât, de andere, de derde?

  102. 53:21

    أَلَكُمُ ٱلذَّكَرُ وَلَهُ ٱلْأُنثَىٰ

    Alakumu alththakaru walahu alontha

    Zijn voor jullie de mannen en voor Hem de vrouwen?

  103. 53:22

    تِلْكَ إِذًا قِسْمَةٌ ضِيزَىٰٓ

    Tilka ithan qismatun deeza

    Dat zou een oneerlijke verdeling zijn.

  104. 53:23

    إِنْ هِىَ إِلَّآ أَسْمَآءٌ سَمَّيْتُمُوهَآ أَنتُمْ وَءَابَآؤُكُم مَّآ أَنزَلَ ٱللَّهُ بِهَا مِن سُلْطَٰنٍ ۚ إِن يَتَّبِعُونَ إِلَّا ٱلظَّنَّ وَمَا تَهْوَى ٱلْأَنفُسُ ۖ وَلَقَدْ جَآءَهُم مِّن رَّبِّهِمُ ٱلْهُدَىٰٓ

    In hiya illa asmaon sammaytumooha antum waabaokum ma anzala Allahu biha min sultanin in yattabiAAoona illa alththanna wama tahwa alanfusu walaqad jaahum min rabbihimu alhuda

    Het zijn alleen maar namen die jullie hebben verzonnen, jullie en jullie vaderen. Allah heeft daarover geen bewijs neergezonden. Zij volgen niets dan vermoedens en wat de zielen begeren. Voorzeker, er is tot hen van hun Heer de Leiding gekomen.

  105. 53:24

    أَمْ لِلْإِنسَٰنِ مَا تَمَنَّىٰ

    Am lilinsani ma tamanna

    Krijgt de mens (alles) wat hij verlangt?

  106. 53:25

    فَلِلَّهِ ٱلْـَٔاخِرَةُ وَٱلْأُولَىٰ

    Falillahi alakhiratu waaloola

    Aan Allah behoort het laatste (en het Hiernamaals) en het eerste (het wereldse leven).

  107. 53:26

    ۞ وَكَم مِّن مَّلَكٍ فِى ٱلسَّمَٰوَٰتِ لَا تُغْنِى شَفَٰعَتُهُمْ شَيْـًٔا إِلَّا مِنۢ بَعْدِ أَن يَأْذَنَ ٱللَّهُ لِمَن يَشَآءُ وَيَرْضَىٰٓ

    Wakam min malakin fee alssamawati la tughnee shafaAAatuhum shayan illa min baAAdi an yathana Allahu liman yashao wayarda

    En hoeveel Engelen zijn er niet in de hemelen wier voorspraak niets baat, behalve nadat Allah toestemming geeft voor wie Hij wil en voor wie Hem behaagt?

  108. 53:27

    إِنَّ ٱلَّذِينَ لَا يُؤْمِنُونَ بِٱلْـَٔاخِرَةِ لَيُسَمُّونَ ٱلْمَلَٰٓئِكَةَ تَسْمِيَةَ ٱلْأُنثَىٰ

    Inna allatheena la yuminoona bialakhirati layusammoona almalaikata tasmiyata alontha

    Voorwaar, degenen die niet geloven in het Hiernamaals geven de Engelen zeker vrouwelijke namen.

  109. 53:28

    وَمَا لَهُم بِهِۦ مِنْ عِلْمٍ ۖ إِن يَتَّبِعُونَ إِلَّا ٱلظَّنَّ ۖ وَإِنَّ ٱلظَّنَّ لَا يُغْنِى مِنَ ٱلْحَقِّ شَيْـًٔا

    Wama lahum bihi min AAilmin in yattabiAAoona illa alththanna wainna alththanna la yughnee mina alhaqqi shayan

    Terwijl zij daarover geen kennis hebben, zij volgen niets dan vermoedens. En voorwaar, vermoedens baten niets tegen de Waarheid.

  110. 53:29

    فَأَعْرِضْ عَن مَّن تَوَلَّىٰ عَن ذِكْرِنَا وَلَمْ يُرِدْ إِلَّا ٱلْحَيَوٰةَ ٱلدُّنْيَا

    FaaAArid AAan man tawalla AAan thikrina walam yurid illa alhayata alddunya

    Wend je daarom af (O Moehammad) van wie zich van Onze Vermaning heeft afgekeerd, en die niets wenst dan het wereldse leven.

  111. 53:30

    ذَٰلِكَ مَبْلَغُهُم مِّنَ ٱلْعِلْمِ ۚ إِنَّ رَبَّكَ هُوَ أَعْلَمُ بِمَن ضَلَّ عَن سَبِيلِهِۦ وَهُوَ أَعْلَمُ بِمَنِ ٱهْتَدَىٰ

    Thalika mablaghuhum mina alAAilmi inna rabbaka huwa aAAlamu biman dalla AAan sabeelihi wahuwa aAAlamu bimani ihtada

    Dat is het doel van hun kennis. Voorwaar, jouw Heer weet beter wie van Zijn Weg is afgedwaald en wie de Leiding heeft aanvaard.

  112. 53:31

    وَلِلَّهِ مَا فِى ٱلسَّمَٰوَٰتِ وَمَا فِى ٱلْأَرْضِ لِيَجْزِىَ ٱلَّذِينَ أَسَٰٓـُٔوا۟ بِمَا عَمِلُوا۟ وَيَجْزِىَ ٱلَّذِينَ أَحْسَنُوا۟ بِٱلْحُسْنَى

    Walillahi ma fee alssamawati wama fee alardi liyajziya allatheena asaoo bima AAamiloo wayajziya allatheena ahsanoo bialhusna

    En aan Allah behoort wat er in de hemelen en op de aarde is; opdat Hij degenen die kwaad verrichtten zal vergelden voor wat zij deden en opdat Hij degenen die goed deden zal belonen met het beste (het Paradijs).

  113. 53:32

    ٱلَّذِينَ يَجْتَنِبُونَ كَبَٰٓئِرَ ٱلْإِثْمِ وَٱلْفَوَٰحِشَ إِلَّا ٱللَّمَمَ ۚ إِنَّ رَبَّكَ وَٰسِعُ ٱلْمَغْفِرَةِ ۚ هُوَ أَعْلَمُ بِكُمْ إِذْ أَنشَأَكُم مِّنَ ٱلْأَرْضِ وَإِذْ أَنتُمْ أَجِنَّةٌ فِى بُطُونِ أُمَّهَٰتِكُمْ ۖ فَلَا تُزَكُّوٓا۟ أَنفُسَكُمْ ۖ هُوَ أَعْلَمُ بِمَنِ ٱتَّقَىٰٓ

    Allatheena yajtaniboona kabaira alithmi waalfawahisha illa allamama inna rabbaka wasiAAu almaghfirati huwa aAAlamu bikum ith anshaakum mina alardi waith antum ajinnatun fee butooni ommahatikum fala tuzakkoo anfusakum huwa aAAlamu bimani ittaqa

    (Zij zijn) degenen die de grote zonden en zedeloosheden mijden, behalve (onvermijdbare) lichte fouten. Voorwaar, jouw Heer is alomvattend in de vergeving. Hij kent jullie beter: toen Hij jullie uit aarde voortbracht en toen jullie nog baby's waren in de schoten van jullie moeders. Prijst niet julliezelf; Hij weet het beter wie (Allah) vreest.

  114. 53:33

    أَفَرَءَيْتَ ٱلَّذِى تَوَلَّىٰ

    Afaraayta allathee tawalla

    Heb jij degene gezien die zich afkeert?

  115. 53:34

    وَأَعْطَىٰ قَلِيلًا وَأَكْدَىٰٓ

    WaaAAta qaleelan waakda

    En die weinig gaf en (daarna) ophield?

  116. 53:35

    أَعِندَهُۥ عِلْمُ ٱلْغَيْبِ فَهُوَ يَرَىٰٓ

    aAAindahu AAilmu alghaybi fahuwa yara

    Heeft hij kennis over het onwaarneembare, zodat hij ziet?

  117. 53:36

    أَمْ لَمْ يُنَبَّأْ بِمَا فِى صُحُفِ مُوسَىٰ

    Am lam yunabba bima fee suhufi moosa

    Of is hij niet op de hoogte gebracht van wat in de geschriften van Môesa staat?

  118. 53:37

    وَإِبْرَٰهِيمَ ٱلَّذِى وَفَّىٰٓ

    Waibraheema allathee waffa

    En (de geschriften van) Ibrâhîm die trouw was?

  119. 53:38

    أَلَّا تَزِرُ وَازِرَةٌ وِزْرَ أُخْرَىٰ

    Alla taziru waziratun wizra okhra

    Dat geen enkele drager de zonden van een ander zal dragen?

  120. 53:39

    وَأَن لَّيْسَ لِلْإِنسَٰنِ إِلَّا مَا سَعَىٰ

    Waan laysa lilinsani illa ma saAAa

    En dat de mens slechts dat krijgt waarnaar hij gestreefd hoeft?

  121. 53:40

    وَأَنَّ سَعْيَهُۥ سَوْفَ يُرَىٰ

    Waanna saAAyahu sawfa yura

    En dat hij (het resultaat van) zijn streven zal zien?

  122. 53:41

    ثُمَّ يُجْزَىٰهُ ٱلْجَزَآءَ ٱلْأَوْفَىٰ

    Thumma yujzahu aljazaa alawfa

    Waarop zal hij beloond (vergolden) worden met de volmaakte beloning (vergelding)?

  123. 53:42

    وَأَنَّ إِلَىٰ رَبِّكَ ٱلْمُنتَهَىٰ

    Waanna ila rabbika almuntaha

    En dat bij jouw Heer het einde is?

  124. 53:43

    وَأَنَّهُۥ هُوَ أَضْحَكَ وَأَبْكَىٰ

    Waannahu huwa adhaka waabka

    En dat Hij het is Die doet lachen en doet huilen?

  125. 53:44

    وَأَنَّهُۥ هُوَ أَمَاتَ وَأَحْيَا

    Waannahu huwa amata waahya

    En dat Hij het is Die doet sterven en Die doet leven?

  126. 53:45

    وَأَنَّهُۥ خَلَقَ ٱلزَّوْجَيْنِ ٱلذَّكَرَ وَٱلْأُنثَىٰ

    Waannahu khalaqa alzzawjayni alththakara waalontha

    En dat Hij de paren heeft geschapen; de man en de vrouw?

  127. 53:46

    مِن نُّطْفَةٍ إِذَا تُمْنَىٰ

    Min nutfatin itha tumna

    Van een druppel (sperma), wanneer die wordt uitgestort?

  128. 53:47

    وَأَنَّ عَلَيْهِ ٱلنَّشْأَةَ ٱلْأُخْرَىٰ

    Waanna AAalayhi alnnashata alokhra

    En dat Hij het andere leven (de opwekking) voortbrengt?

  129. 53:48

    وَأَنَّهُۥ هُوَ أَغْنَىٰ وَأَقْنَىٰ

    Waannahu huwa aghna waaqna

    En dat Hij het is Die verrijkt en Die verarmt?

  130. 53:49

    وَأَنَّهُۥ هُوَ رَبُّ ٱلشِّعْرَىٰ

    Waannahu huwa rabbu alshshiAAra

    En dat Hij de Heer van Sirius is?

  131. 53:50

    وَأَنَّهُۥٓ أَهْلَكَ عَادًا ٱلْأُولَىٰ

    Waannahu ahlaka AAadan aloola

    En dat Hij de vroegere 'Âd vernietigd heeft?

  132. 53:51

    وَثَمُودَا۟ فَمَآ أَبْقَىٰ

    Wathamooda fama abqa

    En de Tsamôed, toen geen van hen overbleef?

  133. 53:52

    وَقَوْمَ نُوحٍ مِّن قَبْلُ ۖ إِنَّهُمْ كَانُوا۟ هُمْ أَظْلَمَ وَأَطْغَىٰ

    Waqawma noohin min qablu innahum kanoo hum athlama waatgha

    En daarvoor het volk van Nôeh? En voorwaar, zij waren het meest onrechtvaardig en het meest buitensporig.

  134. 53:53

    وَٱلْمُؤْتَفِكَةَ أَهْوَىٰ

    Waalmutafikata ahwa

    En de omgekeerde steden richtte Hij ten gronde.

  135. 53:54

    فَغَشَّىٰهَا مَا غَشَّىٰ

    Faghashshaha ma ghashsha

    Toen bedekte Hij haar volledig.

  136. 53:55

    فَبِأَىِّ ءَالَآءِ رَبِّكَ تَتَمَارَىٰ

    Fabiayyi alai rabbika tatamara

    Welke van de genietingen van jouw Heer betwijfelen jullie dan?

  137. 53:56

    هَٰذَا نَذِيرٌ مِّنَ ٱلنُّذُرِ ٱلْأُولَىٰٓ

    Hatha natheerun mina alnnuthuri aloola

    Hij (Moehammad) is een waarschuwer onder de voorafgaande waarschuwers.

  138. 53:57

    أَزِفَتِ ٱلْـَٔازِفَةُ

    Azifati alazifatu

    Het nabije (Dag des Oordeels) is genaderd.

  139. 53:58

    لَيْسَ لَهَا مِن دُونِ ٱللَّهِ كَاشِفَةٌ

    Laysa laha min dooni Allahi kashifatun

    Er is buiten Allah niemand die haar kan onthullen.

  140. 53:59

    أَفَمِنْ هَٰذَا ٱلْحَدِيثِ تَعْجَبُونَ

    Afamin hatha alhadeethi taAAjaboona

    Zijn jullie verbaasd over deze Koran?

  141. 53:60

    وَتَضْحَكُونَ وَلَا تَبْكُونَ

    Watadhakoona wala tabkoona

    En lachen jullie, en huilen jullie niet?

  142. 53:61

    وَأَنتُمْ سَٰمِدُونَ

    Waantum samidoona

    Terwijl jullie (de Koran) veronachtzamen?

  143. 53:62 ۩ Sajda (neerknieling)

    فَٱسْجُدُوا۟ لِلَّهِ وَٱعْبُدُوا۟ ۩

    Faosjudoo lillahi waoAAbudoo

    Knielt dan neer voor Allah en aanbidt (Hem).

  144. Soera Al-Qamar سُورَةُ القمر
  145. 54:1

    بِسْمِ ٱللَّهِ ٱلرَّحْمَٰنِ ٱلرَّحِيمِ ٱقْتَرَبَتِ ٱلسَّاعَةُ وَٱنشَقَّ ٱلْقَمَرُ

    Iqtarabati alssaAAatu wainshaqqa alqamaru

    Het Uur is nabij en de maan is gespleten.

  146. 54:2

    وَإِن يَرَوْا۟ ءَايَةً يُعْرِضُوا۟ وَيَقُولُوا۟ سِحْرٌ مُّسْتَمِرٌّ

    Wain yaraw ayatan yuAAridoo wayaqooloo sihrun mustamirrun

    En wanneer zij een Teken zien, dan wenden zij zich af, en zeggen: "Voortdurende toverij."

  147. 54:3

    وَكَذَّبُوا۟ وَٱتَّبَعُوٓا۟ أَهْوَآءَهُمْ ۚ وَكُلُّ أَمْرٍ مُّسْتَقِرٌّ

    Wakaththaboo waittabaAAoo ahwaahum wakullu amrin mustaqirrun

    En zij loochenen en volgen hun begeerten, terwijl alle zaken al zijn vastgesteld.

  148. 54:4

    وَلَقَدْ جَآءَهُم مِّنَ ٱلْأَنۢبَآءِ مَا فِيهِ مُزْدَجَرٌ

    Walaqad jaahum mina alanbai ma feehi muzdajarun

    En voorzeker, er zijn berichten tot hen gekomen waar een afschrikking in is.

  149. 54:5

    حِكْمَةٌۢ بَٰلِغَةٌ ۖ فَمَا تُغْنِ ٱلنُّذُرُ

    Hikmatun balighatun fama tughnee alnnuthuru

    Doeltreffende wijsheid, maar de waarschuwingen baten niet.

  150. 54:6

    فَتَوَلَّ عَنْهُمْ ۘ يَوْمَ يَدْعُ ٱلدَّاعِ إِلَىٰ شَىْءٍ نُّكُرٍ

    Fatawalla AAanhum yawma yadAAu alddaAAi ila shayin nukurin

    Keer je daarom van hen af De Dag (zal komen) waarop een oproeper (een Engel) tot iets verschrikkelijks oproept.

  151. 54:7

    خُشَّعًا أَبْصَٰرُهُمْ يَخْرُجُونَ مِنَ ٱلْأَجْدَاثِ كَأَنَّهُمْ جَرَادٌ مُّنتَشِرٌ

    KhushshaAAan absaruhum yakhrujoona mina alajdathi kaannahum jaradun muntashirun

    Met teneergeslagen blikken komen zij uit de graven tevoorschijn, alsof zij verspreidde sprinkhanen zijn.

  152. 54:8

    مُّهْطِعِينَ إِلَى ٱلدَّاعِ ۖ يَقُولُ ٱلْكَٰفِرُونَ هَٰذَا يَوْمٌ عَسِرٌ

    MuhtiAAeena ila alddaAAi yaqoolu alkafiroona hatha yawmun AAasirun

    Zich haastend naar de oproeper. De ongelovigen zullen zeggen: "Dit is een zware dag."

  153. 54:9

    ۞ كَذَّبَتْ قَبْلَهُمْ قَوْمُ نُوحٍ فَكَذَّبُوا۟ عَبْدَنَا وَقَالُوا۟ مَجْنُونٌ وَٱزْدُجِرَ

    Kaththabat qablahum qawmu noohin fakaththaboo AAabdana waqaloo majnoonun waizdujira

    Vóór hen loochende het volk van Nôeh, zij loochenden Onze dienaar, en zij zeiden: "Een bezetene!" En hij werd verbannen.

  154. 54:10

    فَدَعَا رَبَّهُۥٓ أَنِّى مَغْلُوبٌ فَٱنتَصِرْ

    FadaAAa rabbahu annee maghloobun faintasir

    Waarop hij zijn Heer aanriep (en zei:) "Ik ben verslagen, help daarom."

  155. 54:11

    فَفَتَحْنَآ أَبْوَٰبَ ٱلسَّمَآءِ بِمَآءٍ مُّنْهَمِرٍ

    Fafatahna abwaba alssamai bimain munhamirin

    Wij openden toen de poorten van de hemel met neergietend water.

  156. 54:12

    وَفَجَّرْنَا ٱلْأَرْضَ عُيُونًا فَٱلْتَقَى ٱلْمَآءُ عَلَىٰٓ أَمْرٍ قَدْ قُدِرَ

    Wafajjarna alarda AAuyoonan failtaqa almao AAala amrin qad qudira

    En Wij deden bronnen uit de aarde barsten, waarna de wateren elkaar ontmoetten volgens een beschikking die waarlijk bepaald was.

  157. 54:13

    وَحَمَلْنَٰهُ عَلَىٰ ذَاتِ أَلْوَٰحٍ وَدُسُرٍ

    Wahamalnahu AAala thati alwahin wadusurin

    En Wij droegen hem op een vaartuig van planken en (houten) pinnen.

  158. 54:14

    تَجْرِى بِأَعْيُنِنَا جَزَآءً لِّمَن كَانَ كُفِرَ

    Tajree biaAAyunina jazaan liman kana kufira

    Dat voer onder Ons toezicht, als beloning voor degene die werd verworpen.

  159. 54:15

    وَلَقَد تَّرَكْنَٰهَآ ءَايَةً فَهَلْ مِن مُّدَّكِرٍ

    Walaqad taraknaha ayatan fahal min muddakirin

    En voorzeker, Wij lieten het achter als een teken, is er dan iemand die er lering uit trekt?

  160. 54:16

    فَكَيْفَ كَانَ عَذَابِى وَنُذُرِ

    Fakayfa kana AAathabee wanuthuri

    En hoe was Mijn bestraffing en Mijn waarschuwing?

  161. 54:17

    وَلَقَدْ يَسَّرْنَا ٱلْقُرْءَانَ لِلذِّكْرِ فَهَلْ مِن مُّدَّكِرٍ

    Walaqad yassarna alqurana lilththikri fahal min muddakirin

    En voorzeker, Wij hebben de Koran gemakkelijk gemaakt ter vermaning, is er dan iemand die er lering uit trekt?

  162. 54:18

    كَذَّبَتْ عَادٌ فَكَيْفَ كَانَ عَذَابِى وَنُذُرِ

    Kaththabat AAadun fakayfa kana AAathabee wanuthuri

    (Het volk van) de 'Âd loochende en hoe was Mijn bestraffing en Mijn waarschuwing?

  163. 54:19

    إِنَّآ أَرْسَلْنَا عَلَيْهِمْ رِيحًا صَرْصَرًا فِى يَوْمِ نَحْسٍ مُّسْتَمِرٍّ

    Inna arsalna AAalayhim reehan sarsaran fee yawmi nahsin mustamirrin

    Voorwaar, Wij zonden een verwoestende wind over hen, op een langdurige zwaarmoedige dag.

  164. 54:20

    تَنزِعُ ٱلنَّاسَ كَأَنَّهُمْ أَعْجَازُ نَخْلٍ مُّنقَعِرٍ

    TanziAAu alnnasa kaannahum aAAjazu nakhlin munqaAAirin

    Die de mensen wegrukte alsof zij ontwortelde palmbomen waren.

  165. 54:21

    فَكَيْفَ كَانَ عَذَابِى وَنُذُرِ

    Fakayfa kana AAathabee wanuthuri

    Hoe was Mijn bestraffing en Mijn waarschuwing?

  166. 54:22

    وَلَقَدْ يَسَّرْنَا ٱلْقُرْءَانَ لِلذِّكْرِ فَهَلْ مِن مُّدَّكِرٍ

    Walaqad yassarna alqurana lilththikri fahal min muddakirin

    En voorzeker, Wij hebben de Koran gemakkelijk gemaakt ter vermaning, is er dan iemand die er lering uit trekt?

  167. 54:23

    كَذَّبَتْ ثَمُودُ بِٱلنُّذُرِ

    Kaththabat thamoodu bialnnuthuri

    (Het volk van) de Tsamôed loochende de waarschuwingen.

  168. 54:24

    فَقَالُوٓا۟ أَبَشَرًا مِّنَّا وَٰحِدًا نَّتَّبِعُهُۥٓ إِنَّآ إِذًا لَّفِى ضَلَٰلٍ وَسُعُرٍ

    Faqaloo abasharan minna wahidan nattabiAAuhu inna ithan lafee dalalin wasuAAurin

    En zij zeiden toen: "Zullen wij één mens van ons volgen? Voorwaar, dan zouden wij in dwaling en in een toestand van krankzinnigheid verkeren.

  169. 54:25

    أَءُلْقِىَ ٱلذِّكْرُ عَلَيْهِ مِنۢ بَيْنِنَا بَلْ هُوَ كَذَّابٌ أَشِرٌ

    Aolqiya alththikru AAalayhi min baynina bal huwa kaththabun ashirun

    Is de vermaning juist aan hèm onder ons neergezonden, terwijl hij een schaamteloze leugenaar is?"

  170. 54:26

    سَيَعْلَمُونَ غَدًا مَّنِ ٱلْكَذَّابُ ٱلْأَشِرُ

    SayaAAlamoona ghadan mani alkaththabu alashiru

    Zij zullen weten wie de schaamteloze leugenaar is.

  171. 54:27

    إِنَّا مُرْسِلُوا۟ ٱلنَّاقَةِ فِتْنَةً لَّهُمْ فَٱرْتَقِبْهُمْ وَٱصْطَبِرْ

    Inna mursiloo alnnaqati fitnatan lahum fairtaqibhum waistabir

    Wij zullen de vrouwtjeskameel zenden als een beproeving voor hen, let daarom op hen (O Shâlih) en wees geduldig.

  172. 54:28

    وَنَبِّئْهُمْ أَنَّ ٱلْمَآءَ قِسْمَةٌۢ بَيْنَهُمْ ۖ كُلُّ شِرْبٍ مُّحْتَضَرٌ

    Wanabbihum anna almaa qismatun baynahum kullu shirbin muhtadarun

    En bericht hun dat het water onder hen (en de kameel) verdeeld moet worden. Ieder een dronk, om de beurt.

  173. 54:29

    فَنَادَوْا۟ صَاحِبَهُمْ فَتَعَاطَىٰ فَعَقَرَ

    Fanadaw sahibahum fataAAata faAAaqara

    Zij riepen toen hun metgezel, die overmoedig werd en (haar) slachtte.

  174. 54:30

    فَكَيْفَ كَانَ عَذَابِى وَنُذُرِ

    Fakayfa kana AAathabee wanuthuri

    Hoe was toen Mijn bestraffing en Mijn waarschuwing?

  175. 54:31

    إِنَّآ أَرْسَلْنَا عَلَيْهِمْ صَيْحَةً وَٰحِدَةً فَكَانُوا۟ كَهَشِيمِ ٱلْمُحْتَظِرِ

    Inna arsalna AAalayhim sayhatan wahidatan fakanoo kahasheemi almuhtathiri

    Voorwaar, Wij zonden één bliksemslag, waarop zij als dorre takken voor veevoer werden.

  176. 54:32

    وَلَقَدْ يَسَّرْنَا ٱلْقُرْءَانَ لِلذِّكْرِ فَهَلْ مِن مُّدَّكِرٍ

    Walaqad yassarna alqurana lilththikri fahal min muddakirin

    En voorzeker, Wij hebben de Koran gemakkelijk gemaakt ter vermaning, is er dan iemand die er lering uit trekt?

  177. 54:33

    كَذَّبَتْ قَوْمُ لُوطٍۭ بِٱلنُّذُرِ

    Kaththabat qawmu lootin bialnnuthuri

    Het volk van Lôeth loochende de waarschuwingen.

  178. 54:34

    إِنَّآ أَرْسَلْنَا عَلَيْهِمْ حَاصِبًا إِلَّآ ءَالَ لُوطٍ ۖ نَّجَّيْنَٰهُم بِسَحَرٍ

    Inna arsalna AAalayhim hasiban illa ala lootin najjaynahum bisaharin

    Voorwaar, Wij zonden vulkanische stenen over hen, behalve over de familie van Lôeth. Wij redden hen in het laatste gedeelte van de nacht.

  179. 54:35

    نِّعْمَةً مِّنْ عِندِنَا ۚ كَذَٰلِكَ نَجْزِى مَن شَكَرَ

    NiAAmatan min AAindina kathalika najzee man shakara

    Als een gunst van Ons. Zo belonen Wij wie dankbaar is.

  180. 54:36

    وَلَقَدْ أَنذَرَهُم بَطْشَتَنَا فَتَمَارَوْا۟ بِٱلنُّذُرِ

    Walaqad antharahum batshatana fatamaraw bialnnuthuri

    En voorzeker, Hij (Lôeth) waarschuwde hen voor Onze harde greep, maar zij twijfelden aan de waarschuwingen.

  181. 54:37

    وَلَقَدْ رَٰوَدُوهُ عَن ضَيْفِهِۦ فَطَمَسْنَآ أَعْيُنَهُمْ فَذُوقُوا۟ عَذَابِى وَنُذُرِ

    Walaqad rawadoohu AAan dayfihi fatamasna aAAyunahum fathooqoo AAathabee wanuthuri

    En voorzeker, zij probeerden zijn gasten over te halen (tot hun begeerten), waarop Wij hen blind maakten. (En Allah zei:) "Proeft dan Mijn bestraffing en Mijn waarschuwing."

  182. 54:38

    وَلَقَدْ صَبَّحَهُم بُكْرَةً عَذَابٌ مُّسْتَقِرٌّ

    Walaqad sabbahahum bukratan AAathabun mustaqirrun

    En voorzeker, een blijvende bestraffing kwam in de ochtend van de volgende dag tot hen.

  183. 54:39

    فَذُوقُوا۟ عَذَابِى وَنُذُرِ

    Fathooqoo AAathabee wanuthuri

    Proeft dan Mijn bestraffing en Mijn waarschuwing.

  184. 54:40

    وَلَقَدْ يَسَّرْنَا ٱلْقُرْءَانَ لِلذِّكْرِ فَهَلْ مِن مُّدَّكِرٍ

    Walaqad yassarna alqurana lilththikri fahal min muddakirin

    En voorzeker, Wij hebben de Koran gemakkelijk gemaakt ter vermaning, is er dan iemand die er lering uit trekt?

  185. 54:41

    وَلَقَدْ جَآءَ ءَالَ فِرْعَوْنَ ٱلنُّذُرُ

    Walaqad jaa ala firAAawna alnnuthuru

    En voorzeker, tot Fir'aun kwamen waarschuwingen.

  186. 54:42

    كَذَّبُوا۟ بِـَٔايَٰتِنَا كُلِّهَا فَأَخَذْنَٰهُمْ أَخْذَ عَزِيزٍ مُّقْتَدِرٍ

    Kaththaboo biayatina kulliha faakhathnahum akhtha AAazeezin muqtadirin

    Zij loochenden alle Tekenen van Ons, waarop Wij hen grepen met de greep van een machtige geweldige.

  187. 54:43

    أَكُفَّارُكُمْ خَيْرٌ مِّنْ أُو۟لَٰٓئِكُمْ أَمْ لَكُم بَرَآءَةٌ فِى ٱلزُّبُرِ

    Akuffarukum khayrun min olaikum am lakum baraatun fee alzzuburi

    Zijn de ongelovigen onder jullie beter dan diegenen van hen (bovengenoemden), of hebben jullie een vrijbrief in de vroegere Schriften?

  188. 54:44

    أَمْ يَقُولُونَ نَحْنُ جَمِيعٌ مُّنتَصِرٌ

    Am yaqooloona nahnu jameeAAun muntasirun

    Of zeggen zij: "Wij vormen één (groep) die zal overwinnen (van Moehammad)."

  189. 54:45

    سَيُهْزَمُ ٱلْجَمْعُ وَيُوَلُّونَ ٱلدُّبُرَ

    Sayuhzamu aljamAAu wayuwalloona alddubura

    De groep zal verslagen worden en zij zullen vluchten.

  190. 54:46

    بَلِ ٱلسَّاعَةُ مَوْعِدُهُمْ وَٱلسَّاعَةُ أَدْهَىٰ وَأَمَرُّ

    Bali alssaAAatu mawAAiduhum waalssaAAatu adha waamarru

    Nee, het Uur is hun belofte, en het Uur is het verschrikkelijkst en het bitterst.

  191. 54:47

    إِنَّ ٱلْمُجْرِمِينَ فِى ضَلَٰلٍ وَسُعُرٍ

    Inna almujrimeena fee dalalin wasuAAurin

    Voorwaar, de misdadigers verkeren in dwaling en in de Hel.

  192. 54:48

    يَوْمَ يُسْحَبُونَ فِى ٱلنَّارِ عَلَىٰ وُجُوهِهِمْ ذُوقُوا۟ مَسَّ سَقَرَ

    Yawma yushaboona fee alnnari AAala wujoohihim thooqoo massa saqara

    Op de Dag dat zij naar de Hel gesleept worden op hun gezichten, zal gezegd worden: "Proeft de aanraking van de Hel (Saqar)."

  193. 54:49

    إِنَّا كُلَّ شَىْءٍ خَلَقْنَٰهُ بِقَدَرٍ

    Inna kulla shayin khalaqnahu biqadarin

    Voorwaar, Wij hebben alle zaken volgens een bepaalde maatgeving geschapen.

  194. 54:50

    وَمَآ أَمْرُنَآ إِلَّا وَٰحِدَةٌ كَلَمْحٍۭ بِٱلْبَصَرِ

    Wama amruna illa wahidatun kalamhin bialbasari

    En Ons bevel is niets meer dan één Woord, als een oogwenk.

  195. 54:51

    وَلَقَدْ أَهْلَكْنَآ أَشْيَاعَكُمْ فَهَلْ مِن مُّدَّكِرٍ

    Walaqad ahlakna ashyaAAakum fahal min muddakirin

    En voorzeker, Wij hebben jullie soortgenoten vernietigd, is er dan iemand die er lering uit trekt?

  196. 54:52

    وَكُلُّ شَىْءٍ فَعَلُوهُ فِى ٱلزُّبُرِ

    Wakullu shayin faAAaloohu fee alzzuburi

    En alle dingen die zij doen, staan in Schriften.

  197. 54:53

    وَكُلُّ صَغِيرٍ وَكَبِيرٍ مُّسْتَطَرٌ

    Wakullu sagheerin wakabeerin mustatarun

    En al het kleine en het grote is vastgelegd.

  198. 54:54

    إِنَّ ٱلْمُتَّقِينَ فِى جَنَّٰتٍ وَنَهَرٍ

    Inna almuttaqeena fee jannatin wanaharin

    Voorwaar, de Moettaqôen verblijven in Tuinen en rivieren (het Paradijs).

  199. 54:55

    فِى مَقْعَدِ صِدْقٍ عِندَ مَلِيكٍ مُّقْتَدِرٍۭ

    Fee maqAAadi sidqin AAinda maleekin muqtadirin

    In een waarachtige verblijfplaats, bij een machtige Heerser.

  200. Soera Ar-Rahmaan سُورَةُ الرحمن
  201. 55:1

    بِسْمِ ٱللَّهِ ٱلرَّحْمَٰنِ ٱلرَّحِيمِ ٱلرَّحْمَٰنُ

    Alrrahmanu

    De Erbarmer.

  202. 55:2

    عَلَّمَ ٱلْقُرْءَانَ

    AAallama alqurana

    Hij heeft de Koran onderwezen.

  203. 55:3

    خَلَقَ ٱلْإِنسَٰنَ

    Khalaqa alinsana

    Hij heeft de mens geschapen.

  204. 55:4

    عَلَّمَهُ ٱلْبَيَانَ

    AAallamahu albayana

    Hij heeft hem de duidelijke verklaring onderwezen.

  205. 55:5

    ٱلشَّمْسُ وَٱلْقَمَرُ بِحُسْبَانٍ

    Alshshamsu waalqamaru bihusbanin

    De zon en de maan volgen de berekende banen.

  206. 55:6

    وَٱلنَّجْمُ وَٱلشَّجَرُ يَسْجُدَانِ

    Waalnnajmu waalshshajaru yasjudani

    En de struiken en de bomen knielen zich neer.

  207. 55:7

    وَٱلسَّمَآءَ رَفَعَهَا وَوَضَعَ ٱلْمِيزَانَ

    Waalssamaa rafaAAaha wawadaAAa almeezana

    En Hij heeft de hemel opgeheven en Hij heeft de weegschaal geplaatst.

  208. 55:8

    أَلَّا تَطْغَوْا۟ فِى ٱلْمِيزَانِ

    Alla tatghaw fee almeezani

    Opdat jullie het evenwicht niet verstoren.

  209. 55:9

    وَأَقِيمُوا۟ ٱلْوَزْنَ بِٱلْقِسْطِ وَلَا تُخْسِرُوا۟ ٱلْمِيزَانَ

    Waaqeemoo alwazna bialqisti wala tukhsiroo almeezana

    En houdt de weegschaal in evenwicht met rechtvaardigheid en neemt niets van de weegschaal af.

  210. 55:10

    وَٱلْأَرْضَ وَضَعَهَا لِلْأَنَامِ

    Waalarda wadaAAaha lilanami

    En Hij heeft de aarde bereid voor de schepselen.

  211. 55:11

    فِيهَا فَٰكِهَةٌ وَٱلنَّخْلُ ذَاتُ ٱلْأَكْمَامِ

    Feeha fakihatun waalnnakhlu thatu alakmami

    Daarop zijn vruchten en dadelpalmen met kolven.

  212. 55:12

    وَٱلْحَبُّ ذُو ٱلْعَصْفِ وَٱلرَّيْحَانُ

    Waalhabbu thoo alAAasfi waalrrayhani

    En graan in aren en geurige planten.

  213. 55:13

    فَبِأَىِّ ءَالَآءِ رَبِّكُمَا تُكَذِّبَانِ

    Fabiayyi alai rabbikuma tukaththibani

    Welke gunsten van jullie (Djinn's en mensen) Heer loochenen jullie dan?

  214. 55:14

    خَلَقَ ٱلْإِنسَٰنَ مِن صَلْصَٰلٍ كَٱلْفَخَّارِ

    Khalaqa alinsana min salsalin kaalfakhkhari

    Hij heeft de mens geschapen van droge klei, als aardewerk.

  215. 55:15

    وَخَلَقَ ٱلْجَآنَّ مِن مَّارِجٍ مِّن نَّارٍ

    Wakhalaqa aljanna min marijin min narin

    En Hij heeft de Djinn's geschapen van een rookloze vlam van vuur.

  216. 55:16

    فَبِأَىِّ ءَالَآءِ رَبِّكُمَا تُكَذِّبَانِ

    Fabiayyi alai rabbikuma tukaththibani

    Welke gunsten van jullie Heer loochenen jullie dan?

  217. 55:17

    رَبُّ ٱلْمَشْرِقَيْنِ وَرَبُّ ٱلْمَغْرِبَيْنِ

    Rabbu almashriqayni warabbu almaghribayni

    De Heer van de twee opgangen en de twee ondergangen.

  218. 55:18

    فَبِأَىِّ ءَالَآءِ رَبِّكُمَا تُكَذِّبَانِ

    Fabiayyi alai rabbikuma tukaththibani

    Welke gunsten van jullie Heer loochenen jullie dan?

  219. 55:19

    مَرَجَ ٱلْبَحْرَيْنِ يَلْتَقِيَانِ

    Maraja albahrayni yaltaqiyani

    Hij heeft de twee zeeën laten stromen en zij ontmoeten elkaar.

  220. 55:20

    بَيْنَهُمَا بَرْزَخٌ لَّا يَبْغِيَانِ

    Baynahuma barzakhun la yabghiyani

    Tussen beide is een scheiding, zij kunnen die niet passeren.

  221. 55:21

    فَبِأَىِّ ءَالَآءِ رَبِّكُمَا تُكَذِّبَانِ

    Fabiayyi alai rabbikuma tukaththibani

    Welke gunsten van jullie Heer loochenen jullie dan?

  222. 55:22

    يَخْرُجُ مِنْهُمَا ٱللُّؤْلُؤُ وَٱلْمَرْجَانُ

    Yakhruju minhuma alluluo waalmarjanu

    Uit beide komen parels en koraal voort.

  223. 55:23

    فَبِأَىِّ ءَالَآءِ رَبِّكُمَا تُكَذِّبَانِ

    Fabiayyi alai rabbikuma tukaththibani

    Welke gunsten van jullie Heer loochenen jullie dan?

  224. 55:24

    وَلَهُ ٱلْجَوَارِ ٱلْمُنشَـَٔاتُ فِى ٱلْبَحْرِ كَٱلْأَعْلَٰمِ

    Walahu aljawari almunshaatu fee albahri kaalaAAlami

    En aan Hem behoren de over de zee varende schepen, als bergen.

  225. 55:25

    فَبِأَىِّ ءَالَآءِ رَبِّكُمَا تُكَذِّبَانِ

    Fabiayyi alai rabbikuma tukaththibani

    Welke gunsten van jullie Heer loochenen jullie dan?

  226. 55:26

    كُلُّ مَنْ عَلَيْهَا فَانٍ

    Kullu man AAalayha fanin

    Alles wat op aarde is zal vergaan.

  227. 55:27

    وَيَبْقَىٰ وَجْهُ رَبِّكَ ذُو ٱلْجَلَٰلِ وَٱلْإِكْرَامِ

    Wayabqa wajhu rabbika thoo aljalali waalikrami

    En het Aangezicht van jouw Heer is blijvend, de Bezitter van Majesteit en Eer.

  228. 55:28

    فَبِأَىِّ ءَالَآءِ رَبِّكُمَا تُكَذِّبَانِ

    Fabiayyi alai rabbikuma tukaththibani

    Welke gunsten van jullie Heer loochenen jullie dan?

  229. 55:29

    يَسْـَٔلُهُۥ مَن فِى ٱلسَّمَٰوَٰتِ وَٱلْأَرْضِ ۚ كُلَّ يَوْمٍ هُوَ فِى شَأْنٍ

    Yasaluhu man fee alssamawati waalardi kulla yawmin huwa fee shanin

    Allen die in de hemelen en op de aarde zijn vragen Hem. Iedere dag is Hij bezig.

  230. 55:30

    فَبِأَىِّ ءَالَآءِ رَبِّكُمَا تُكَذِّبَانِ

    Fabiayyi alai rabbikuma tukaththibani

    Welke gunsten van jullie Heer loochenen jullie dan?

  231. 55:31

    سَنَفْرُغُ لَكُمْ أَيُّهَ ٱلثَّقَلَانِ

    Sanafrughu lakum ayyuha alththaqalani

    Wij zullen voor jullie een afrekening maken, O jullie Djinn's en mensen!

  232. 55:32

    فَبِأَىِّ ءَالَآءِ رَبِّكُمَا تُكَذِّبَانِ

    Fabiayyi alai rabbikuma tukaththibani

    Welke gunsten van jullie Heer loochenen jullie dan?

  233. 55:33

    يَٰمَعْشَرَ ٱلْجِنِّ وَٱلْإِنسِ إِنِ ٱسْتَطَعْتُمْ أَن تَنفُذُوا۟ مِنْ أَقْطَارِ ٱلسَّمَٰوَٰتِ وَٱلْأَرْضِ فَٱنفُذُوا۟ ۚ لَا تَنفُذُونَ إِلَّا بِسُلْطَٰنٍ

    Ya maAAshara aljinni waalinsi ini istataAAtum an tanfuthoo min aqtari alssamawati waalardi faonfuthoo la tanfuthoona illa bisultanin

    O verzameling van Djinn's en mensen, als jullie in staat zijn de hoeken van de hemelen en de aarde te verlaten, verlaat die dan, maar jullie zullen die slechts met een (grote) macht kunnen verlaten.

  234. 55:34

    فَبِأَىِّ ءَالَآءِ رَبِّكُمَا تُكَذِّبَانِ

    Fabiayyi alai rabbikuma tukaththibani

    Welke gunsten van jullie Heer loochenen jullie dan?

  235. 55:35

    يُرْسَلُ عَلَيْكُمَا شُوَاظٌ مِّن نَّارٍ وَنُحَاسٌ فَلَا تَنتَصِرَانِ

    Yursalu AAalaykuma shuwathun min narin wanuhasun fala tantasirani

    Er zal een vlam van vuur en gesmolten koper tot jullie gezonden worden, waartegen jullie elkaar niet kunnen helpen.

  236. 55:36

    فَبِأَىِّ ءَالَآءِ رَبِّكُمَا تُكَذِّبَانِ

    Fabiayyi alai rabbikuma tukaththibani

    Welke gunsten van jullie Heer loochenen jullie dan?

  237. 55:37

    فَإِذَا ٱنشَقَّتِ ٱلسَّمَآءُ فَكَانَتْ وَرْدَةً كَٱلدِّهَانِ

    Faitha inshaqqati alssamao fakanat wardatan kaalddihani

    Wanneer dan de hemel is gespleten is zij rozenrood, als een geverfde huid.

  238. 55:38

    فَبِأَىِّ ءَالَآءِ رَبِّكُمَا تُكَذِّبَانِ

    Fabiayyi alai rabbikuma tukaththibani

    Welke gunsten van jullie Heer loochenen jullie dan?

  239. 55:39

    فَيَوْمَئِذٍ لَّا يُسْـَٔلُ عَن ذَنۢبِهِۦٓ إِنسٌ وَلَا جَآنٌّ

    Fayawmaithin la yusalu AAan thanbihi insun wala jannun

    Op die Dag zullen de mensen en de Djinn's niet ondervraagd worden over hun zonden.

  240. 55:40

    فَبِأَىِّ ءَالَآءِ رَبِّكُمَا تُكَذِّبَانِ

    Fabiayyi alai rabbikuma tukaththibani

    Welke gunsten van jullie Heer loochenen jullie dan?

  241. 55:41

    يُعْرَفُ ٱلْمُجْرِمُونَ بِسِيمَٰهُمْ فَيُؤْخَذُ بِٱلنَّوَٰصِى وَٱلْأَقْدَامِ

    YuAArafu almujrimoona biseemahum fayukhathu bialnnawasee waalaqdami

    De misdadigers zullen herkend worden aan hun kenmerken en daarna gegrepen worden bij het haar van het voorhoofd en de voeten.

  242. 55:42

    فَبِأَىِّ ءَالَآءِ رَبِّكُمَا تُكَذِّبَانِ

    Fabiayyi alai rabbikuma tukaththibani

    Welke gunsten van jullie Heer loochenen jullie dan?

  243. 55:43

    هَٰذِهِۦ جَهَنَّمُ ٱلَّتِى يُكَذِّبُ بِهَا ٱلْمُجْرِمُونَ

    Hathihi jahannamu allatee yukaththibu biha almujrimoona

    Dit is de Hel die de zondaren loochenden.

  244. 55:44

    يَطُوفُونَ بَيْنَهَا وَبَيْنَ حَمِيمٍ ءَانٍ

    Yatoofoona baynaha wabayna hameemin anin

    Zij dolen daar rond in het midden van kokend heet water.

  245. 55:45

    فَبِأَىِّ ءَالَآءِ رَبِّكُمَا تُكَذِّبَانِ

    Fabiayyi alai rabbikuma tukaththibani

    Welke gunsten van jullie Heer loochenen jullie dan?

  246. 55:46

    وَلِمَنْ خَافَ مَقَامَ رَبِّهِۦ جَنَّتَانِ

    Waliman khafa maqama rabbihi jannatani

    En voor wie vreesde voor het staan voor zijn Heer zijn er twee Tuinen (in het Paradijs).

  247. 55:47

    فَبِأَىِّ ءَالَآءِ رَبِّكُمَا تُكَذِّبَانِ

    Fabiayyi alai rabbikuma tukaththibani

    Welke gunsten van jullie Heer loochenen jullie dan?

  248. 55:48

    ذَوَاتَآ أَفْنَانٍ

    Thawata afnanin

    Beide met een overvloed aan takken en vruchten.

  249. 55:49

    فَبِأَىِّ ءَالَآءِ رَبِّكُمَا تُكَذِّبَانِ

    Fabiayyi alai rabbikuma tukaththibani

    Welke gunsten van jullie Heer loochenen jullie dan?

  250. 55:50

    فِيهِمَا عَيْنَانِ تَجْرِيَانِ

    Feehima AAaynani tajriyani

    In beide zijn twee stromende bronnen.

  251. 55:51

    فَبِأَىِّ ءَالَآءِ رَبِّكُمَا تُكَذِّبَانِ

    Fabiayyi alai rabbikuma tukaththibani

    Welke gunsten van jullie Heer loochenen jullie dan?

  252. 55:52

    فِيهِمَا مِن كُلِّ فَٰكِهَةٍ زَوْجَانِ

    Feehima min kulli fakihatin zawjani

    In beide zijn er vruchten van elke soort, in paren.

  253. 55:53

    فَبِأَىِّ ءَالَآءِ رَبِّكُمَا تُكَذِّبَانِ

    Fabiayyi alai rabbikuma tukaththibani

    Welke gunsten van jullie Heer loochenen jullie dan?

  254. 55:54

    مُتَّكِـِٔينَ عَلَىٰ فُرُشٍۭ بَطَآئِنُهَا مِنْ إِسْتَبْرَقٍ ۚ وَجَنَى ٱلْجَنَّتَيْنِ دَانٍ

    Muttakieena AAala furushin batainuha min istabraqin wajana aljannatayni danin

    Leunend, op tapijten met brokaat aan hun binnenzijden en (de vruchten) van beide Tuinen hangen binnen handbereik.

  255. 55:55

    فَبِأَىِّ ءَالَآءِ رَبِّكُمَا تُكَذِّبَانِ

    Fabiayyi alai rabbikuma tukaththibani

    Welke gunsten van jullie Heer loochenen jullie dan?

  256. 55:56

    فِيهِنَّ قَٰصِرَٰتُ ٱلطَّرْفِ لَمْ يَطْمِثْهُنَّ إِنسٌ قَبْلَهُمْ وَلَا جَآنٌّ

    Feehinna qasiratu alttarfi lam yatmithhunna insun qablahum wala jannun

    In de Tuinen bevinden zich schonen met ingetogen blikken, die geen mens en geen Djinn ooit vóór hen heeft aangeraakt.

  257. 55:57

    فَبِأَىِّ ءَالَآءِ رَبِّكُمَا تُكَذِّبَانِ

    Fabiayyi alai rabbikuma tukaththibani

    Welke gunsten van jullie Heer loochenen jullie dan?

  258. 55:58

    كَأَنَّهُنَّ ٱلْيَاقُوتُ وَٱلْمَرْجَانُ

    Kaannahunna alyaqootu waalmarjanu

    Als waren zij van robijn en koraal.

  259. 55:59

    فَبِأَىِّ ءَالَآءِ رَبِّكُمَا تُكَذِّبَانِ

    Fabiayyi alai rabbikuma tukaththibani

    Welke gunsten van jullie Heer loochenen jullie dan?

  260. 55:60

    هَلْ جَزَآءُ ٱلْإِحْسَٰنِ إِلَّا ٱلْإِحْسَٰنُ

    Hal jazao alihsani illa alihsanu

    Er is voor het verrichten van het goede geen andere beloning dan het goede.

  261. 55:61

    فَبِأَىِّ ءَالَآءِ رَبِّكُمَا تُكَذِّبَانِ

    Fabiayyi alai rabbikuma tukaththibani

    Welke gunsten van jullie Heer loochenen jullie dan?

  262. 55:62

    وَمِن دُونِهِمَا جَنَّتَانِ

    Wamin doonihima jannatani

    En naast deze twee zijn nog twee Tuinen.

  263. 55:63

    فَبِأَىِّ ءَالَآءِ رَبِّكُمَا تُكَذِّبَانِ

    Fabiayyi alai rabbikuma tukaththibani

    Welke gunsten van jullie Heer loochenen jullie dan?

  264. 55:64

    مُدْهَآمَّتَانِ

    Mudhammatani

    Donkergroen van kleur.

  265. 55:65

    فَبِأَىِّ ءَالَآءِ رَبِّكُمَا تُكَذِّبَانِ

    Fabiayyi alai rabbikuma tukaththibani

    Welke gunsten van jullie Heer loochenen jullie dan?

  266. 55:66

    فِيهِمَا عَيْنَانِ نَضَّاخَتَانِ

    Feehima AAaynani naddakhatani

    In beide bevinden zich twee overvloedige bronnen.

  267. 55:67

    فَبِأَىِّ ءَالَآءِ رَبِّكُمَا تُكَذِّبَانِ

    Fabiayyi alai rabbikuma tukaththibani

    Welke gunsten van jullie Heer loochenen jullie dan?

  268. 55:68

    فِيهِمَا فَٰكِهَةٌ وَنَخْلٌ وَرُمَّانٌ

    Feehima fakihatun wanakhlun warummanun

    In beide zijn vruchten, dadels en granaatappels.

  269. 55:69

    فَبِأَىِّ ءَالَآءِ رَبِّكُمَا تُكَذِّبَانِ

    Fabiayyi alai rabbikuma tukaththibani

    Welke gunsten van jullie Heer loochenen jullie dan?

  270. 55:70

    فِيهِنَّ خَيْرَٰتٌ حِسَانٌ

    Feehinna khayratun hisanun

    Er in bevinden zich goede en mooie vrouwen.

  271. 55:71

    فَبِأَىِّ ءَالَآءِ رَبِّكُمَا تُكَذِّبَانِ

    Fabiayyi alai rabbikuma tukaththibani

    Welke gunsten van jullie Heer loochenen jullie dan?

  272. 55:72

    حُورٌ مَّقْصُورَٰتٌ فِى ٱلْخِيَامِ

    Hoorun maqsooratun fee alkhiyami

    Vrouwen met prachtige ogen, afgezonderd in tentverblijven.

  273. 55:73

    فَبِأَىِّ ءَالَآءِ رَبِّكُمَا تُكَذِّبَانِ

    Fabiayyi alai rabbikuma tukaththibani

    Welke gunsten van jullie Heer loochenen jullie dan?

  274. 55:74

    لَمْ يَطْمِثْهُنَّ إِنسٌ قَبْلَهُمْ وَلَا جَآنٌّ

    Lam yatmithhunna insun qablahum wala jannun

    Die geen mens en geen Djinn ooit vóór hen heeft aangeraakt.

  275. 55:75

    فَبِأَىِّ ءَالَآءِ رَبِّكُمَا تُكَذِّبَانِ

    Fabiayyi alai rabbikuma tukaththibani

    Welke gunsten van jullie Heer loochenen jullie dan?

  276. 55:76

    مُتَّكِـِٔينَ عَلَىٰ رَفْرَفٍ خُضْرٍ وَعَبْقَرِىٍّ حِسَانٍ

    Muttakieena AAala rafrafin khudrin waAAabqariyyin hisanin

    Leunend op groene kussens en op prachtige tapijten.

  277. 55:77

    فَبِأَىِّ ءَالَآءِ رَبِّكُمَا تُكَذِّبَانِ

    Fabiayyi alai rabbikuma tukaththibani

    Welke gunsten van jullie Heer loochenen jullie dan?

  278. 55:78

    تَبَٰرَكَ ٱسْمُ رَبِّكَ ذِى ٱلْجَلَٰلِ وَٱلْإِكْرَامِ

    Tabaraka ismu rabbika thee aljalali waalikrami

    Gezegend zij de Naam van jouw Heer, de Bezitter van Majesteit en Eer.

  279. Soera Al-Waaqia سُورَةُ الواقعة
  280. 56:1

    بِسْمِ ٱللَّهِ ٱلرَّحْمَٰنِ ٱلرَّحِيمِ إِذَا وَقَعَتِ ٱلْوَاقِعَةُ

    Itha waqaAAati alwaqiAAatu

    Wanneer de Dag der Opstanding plaatsvindt.

  281. 56:2

    لَيْسَ لِوَقْعَتِهَا كَاذِبَةٌ

    Laysa liwaqAAatiha kathibatun

    (Dan) kent de gebeurtenis ervan geen loochening.

  282. 56:3

    خَافِضَةٌ رَّافِعَةٌ

    Khafidatun rafiAAatun

    Verlagend (voor de één), verheffend (voor de ander).

  283. 56:4

    إِذَا رُجَّتِ ٱلْأَرْضُ رَجًّا

    Itha rujjati alardu rajjan

    Wanneer de aarde hevig geschud wordt.

  284. 56:5

    وَبُسَّتِ ٱلْجِبَالُ بَسًّا

    Wabussati aljibalu bassan

    En de bergen volledig vernietigd worden.

  285. 56:6

    فَكَانَتْ هَبَآءً مُّنۢبَثًّا

    Fakanat habaan munbaththan

    Zodat deze tot rondvliegend stof worden.

  286. 56:7

    وَكُنتُمْ أَزْوَٰجًا ثَلَٰثَةً

    Wakuntum azwajan thalathatan

    En jullie in drie groepen verdeeld zijn.

  287. 56:8

    فَأَصْحَٰبُ ٱلْمَيْمَنَةِ مَآ أَصْحَٰبُ ٱلْمَيْمَنَةِ

    Faashabu almaymanati ma ashabu almaymanati

    De mensen van de rechterzijde, (wat een voorspoed voor) de mensen van de rechterzijde!

  288. 56:9

    وَأَصْحَٰبُ ٱلْمَشْـَٔمَةِ مَآ أَصْحَٰبُ ٱلْمَشْـَٔمَةِ

    Waashabu almashamati ma ashabu almashamati

    En de mensen van de linkerzijde, (wat een tegenspoed voor) de mensen van de linkerzijde!

  289. 56:10

    وَٱلسَّٰبِقُونَ ٱلسَّٰبِقُونَ

    Waalssabiqoona alssabiqoona

    En de eersten (de derde groep) zijn de eersten.

  290. 56:11

    أُو۟لَٰٓئِكَ ٱلْمُقَرَّبُونَ

    Olaika almuqarraboona

    Dat zijn degenen die nabij zijn gebracht.

  291. 56:12

    فِى جَنَّٰتِ ٱلنَّعِيمِ

    Fee jannati alnnaAAeemi

    In de Tuinen van gelukzaligheid (het Paradijs).

  292. 56:13

    ثُلَّةٌ مِّنَ ٱلْأَوَّلِينَ

    Thullatun mina alawwaleena

    Een aantal van de vroegeren.

  293. 56:14

    وَقَلِيلٌ مِّنَ ٱلْـَٔاخِرِينَ

    Waqaleelun mina alakhireena

    En weinig van de lateren.

  294. 56:15

    عَلَىٰ سُرُرٍ مَّوْضُونَةٍ

    AAala sururin mawdoonatin

    Op (met goud) geborduurde rustbanken.

  295. 56:16

    مُّتَّكِـِٔينَ عَلَيْهَا مُتَقَٰبِلِينَ

    Muttakieena AAalayha mutaqabileena

    Daarop leunend, tegenover elkaar zittend.

  296. 56:17

    يَطُوفُ عَلَيْهِمْ وِلْدَٰنٌ مُّخَلَّدُونَ

    Yatoofu AAalayhim wildanun mukhalladoona

    Onder hen gaan eeuwig jeugdigen rond.

  297. 56:18

    بِأَكْوَابٍ وَأَبَارِيقَ وَكَأْسٍ مِّن مَّعِينٍ

    Biakwabin waabareeqa wakasin min maAAeenin

    Met bokalen en kannen en glazen, gevuld aan een stromende bron.

  298. 56:19

    لَّا يُصَدَّعُونَ عَنْهَا وَلَا يُنزِفُونَ

    La yusaddaAAoona AAanha wala yunzifoona

    Waarvan zij geen hoofdpijn krijgen en niet dronken worden.

  299. 56:20

    وَفَٰكِهَةٍ مِّمَّا يَتَخَيَّرُونَ

    Wafakihatin mimma yatakhayyaroona

    En vruchten waaruit zij kunnen kiezen.

  300. 56:21

    وَلَحْمِ طَيْرٍ مِّمَّا يَشْتَهُونَ

    Walahmi tayrin mimma yashtahoona

    En vlees van gevogelte, wat zij maar verlangen.

  301. 56:22

    وَحُورٌ عِينٌ

    Wahoorun AAeenun

    En schonen met schitterende ogen.

  302. 56:23

    كَأَمْثَٰلِ ٱللُّؤْلُؤِ ٱلْمَكْنُونِ

    Kaamthali allului almaknooni

    Gelijk welbewaarde parels.

  303. 56:24

    جَزَآءًۢ بِمَا كَانُوا۟ يَعْمَلُونَ

    Jazaan bima kanoo yaAAmaloona

    Als een beloning voor wat zij plachten te doen.

  304. 56:25

    لَا يَسْمَعُونَ فِيهَا لَغْوًا وَلَا تَأْثِيمًا

    La yasmaAAoona feeha laghwan wala tatheeman

    Zij horen daarin geen onzin en geen zondigheid.

  305. 56:26

    إِلَّا قِيلًا سَلَٰمًا سَلَٰمًا

    Illa qeelan salaman salaman

    Slechts het zeggen van: "Vrede! Vrede!"

  306. 56:27

    وَأَصْحَٰبُ ٱلْيَمِينِ مَآ أَصْحَٰبُ ٱلْيَمِينِ

    Waashabu alyameeni ma ashabu alyameeni

    En de mensen van de rechterzijde, (wat een voorspoed voor) de mensen van de rechterzijde!

  307. 56:28

    فِى سِدْرٍ مَّخْضُودٍ

    Fee sidrin makhdoodin

    Temidden van lotusbomen zonder doornen.

  308. 56:29

    وَطَلْحٍ مَّنضُودٍ

    Watalhin mandoodin

    En bananenbomen vol met vruchten.

  309. 56:30

    وَظِلٍّ مَّمْدُودٍ

    Wathillin mamdoodin

    En langdurige schaduw.

  310. 56:31

    وَمَآءٍ مَّسْكُوبٍ

    Wamain maskoobin

    En stromend water.

  311. 56:32

    وَفَٰكِهَةٍ كَثِيرَةٍ

    Wafakihatin katheeratin

    En fruit in overvloed.

  312. 56:33

    لَّا مَقْطُوعَةٍ وَلَا مَمْنُوعَةٍ

    La maqtooAAatin wala mamnooAAatin

    Niet onderbroken en niet verboden.

  313. 56:34

    وَفُرُشٍ مَّرْفُوعَةٍ

    Wafurushin marfooAAatin

    Op verhoogde rustbedden.

  314. 56:35

    إِنَّآ أَنشَأْنَٰهُنَّ إِنشَآءً

    Inna anshanahunna inshaan

    Voorwaar, Wij hebben hen (de vrouwen in het Paradijs) opnieuw geschapen.

  315. 56:36

    فَجَعَلْنَٰهُنَّ أَبْكَارًا

    FajaAAalnahunna abkaran

    En Wij hebben hen maagdelijk gemaakt.

  316. 56:37

    عُرُبًا أَتْرَابًا

    AAuruban atraban

    Liefdevol en gelijk in leeftijd.

  317. 56:38

    لِّأَصْحَٰبِ ٱلْيَمِينِ

    Liashabi alyameeni

    Voor de mensen aan de rechterzijde.

  318. 56:39

    ثُلَّةٌ مِّنَ ٱلْأَوَّلِينَ

    Thullatun mina alawwaleena

    Een aantal van de vroegeren (groepen).

  319. 56:40

    وَثُلَّةٌ مِّنَ ٱلْـَٔاخِرِينَ

    Wathullatun mina alakhireena

    En een aantal van de lateren.

  320. 56:41

    وَأَصْحَٰبُ ٱلشِّمَالِ مَآ أَصْحَٰبُ ٱلشِّمَالِ

    Waashabu alshshimali ma ashabu alshshimali

    En de mensen van de linkerzijde, (wat een tegenspoed voor) de mensen aan de linkerzijde!

  321. 56:42

    فِى سَمُومٍ وَحَمِيمٍ

    Fee samoomin wahameemin

    (Zij verkeren) in een verzengende wind en kokend water.

  322. 56:43

    وَظِلٍّ مِّن يَحْمُومٍ

    Wathillin min yahmoomin

    En schaduwen van zwarte rook.

  323. 56:44

    لَّا بَارِدٍ وَلَا كَرِيمٍ

    La baridin wala kareemin

    Niet koel en niet weldadig.

  324. 56:45

    إِنَّهُمْ كَانُوا۟ قَبْلَ ذَٰلِكَ مُتْرَفِينَ

    Innahum kanoo qabla thalika mutrafeena

    Voorwaar, zij plachten voorheen in weelde te leven.

  325. 56:46

    وَكَانُوا۟ يُصِرُّونَ عَلَى ٱلْحِنثِ ٱلْعَظِيمِ

    Wakanoo yusirroona AAala alhinthi alAAatheemi

    En zij volhardden in geweldige zondigheid.

  326. 56:47

    وَكَانُوا۟ يَقُولُونَ أَئِذَا مِتْنَا وَكُنَّا تُرَابًا وَعِظَٰمًا أَءِنَّا لَمَبْعُوثُونَ

    Wakanoo yaqooloona aitha mitna wakunna turaban waAAithaman ainna lamabAAoothoona

    Zij plachten te zeggen: "Als wij gestorven zijn en tot stof en botten zijn geworden, zullen wij dan zeker opgewekt worden?

  327. 56:48

    أَوَءَابَآؤُنَا ٱلْأَوَّلُونَ

    Awa abaona alawwaloona

    En ook onze voorvaderen?"

  328. 56:49

    قُلْ إِنَّ ٱلْأَوَّلِينَ وَٱلْـَٔاخِرِينَ

    Qul inna alawwaleena waalakhireena

    Zeg: "Voorwaar, de vroegeren en de lateren."

  329. 56:50

    لَمَجْمُوعُونَ إِلَىٰ مِيقَٰتِ يَوْمٍ مَّعْلُومٍ

    LamajmooAAoona ila meeqati yawmin maAAloomin

    Zij zullen zeker bijeengebracht worden op het bepaalde tijdstip van een bekende Dag.

  330. 56:51

    ثُمَّ إِنَّكُمْ أَيُّهَا ٱلضَّآلُّونَ ٱلْمُكَذِّبُونَ

    Thumma innakum ayyuha alddalloona almukaththiboona

    Daarna zullen jullie, O dwalende, loochenaars.

  331. 56:52

    لَـَٔاكِلُونَ مِن شَجَرٍ مِّن زَقُّومٍ

    Laakiloona min shajarin min zaqqoomin

    Zeker van de Zaqqôem-boom eten.

  332. 56:53

    فَمَالِـُٔونَ مِنْهَا ٱلْبُطُونَ

    Famalioona minha albutoona

    Dan zullen jullie daarmee de buiken vullen.

  333. 56:54

    فَشَٰرِبُونَ عَلَيْهِ مِنَ ٱلْحَمِيمِ

    Fashariboona AAalayhi mina alhameemi

    Daarna zullen jullie er (kokend water) van drinken.

  334. 56:55

    فَشَٰرِبُونَ شُرْبَ ٱلْهِيمِ

    Fashariboona shurba alheemi

    Jullie zullen dan drinken als smachtende kamelen.

  335. 56:56

    هَٰذَا نُزُلُهُمْ يَوْمَ ٱلدِّينِ

    Hatha nuzuluhum yawma alddeeni

    Dit is hun onthaal op de Dag des Oordeels.

  336. 56:57

    نَحْنُ خَلَقْنَٰكُمْ فَلَوْلَا تُصَدِّقُونَ

    Nahnu khalaqnakum falawla tusaddiqoona

    Wij hebben jullie geschapen, waren jullie maar overtuigd geweest!

  337. 56:58

    أَفَرَءَيْتُم مَّا تُمْنُونَ

    Afaraaytum ma tumnoona

    Hoe denken jullie dan over dat (zaad) wat jullie uitstorten?

  338. 56:59

    ءَأَنتُمْ تَخْلُقُونَهُۥٓ أَمْ نَحْنُ ٱلْخَٰلِقُونَ

    Aantum takhluqoonahu am nahnu alkhaliqoona

    Hebben jullie dat geschapen of zijn Wij de Scheppers?

  339. 56:60

    نَحْنُ قَدَّرْنَا بَيْنَكُمُ ٱلْمَوْتَ وَمَا نَحْنُ بِمَسْبُوقِينَ

    Nahnu qaddarna baynakumu almawta wama nahnu bimasbooqeena

    Wij hebben de dood onder jullie bepaald, en Wij zijn niet zwak.

  340. 56:61

    عَلَىٰٓ أَن نُّبَدِّلَ أَمْثَٰلَكُمْ وَنُنشِئَكُمْ فِى مَا لَا تَعْلَمُونَ

    AAala an nubaddila amthalakum wanunshiakum fee ma la taAAlamoona

    Om schepselen zoals jullie te scheppen en om jullie opnieuw tot leven te brengen in (een schepping) waarvan jullie niet weten.

  341. 56:62

    وَلَقَدْ عَلِمْتُمُ ٱلنَّشْأَةَ ٱلْأُولَىٰ فَلَوْلَا تَذَكَّرُونَ

    Walaqad AAalimtumu alnnashata aloola falawla tathakkaroona

    En voorzeker, jullie hebben kennis over de eerste schepping, hadden jullie er maar lering uit getrokken!

  342. 56:63

    أَفَرَءَيْتُم مَّا تَحْرُثُونَ

    Afaraaytum ma tahruthoona

    Hoe denken jullie dan over wat jullie zaaien?

  343. 56:64

    ءَأَنتُمْ تَزْرَعُونَهُۥٓ أَمْ نَحْنُ ٱلزَّٰرِعُونَ

    Aantum tazraAAoonahu am nahnu alzzariAAoona

    Zijn jullie het die het doen groeien of zijn Wij het Die doen groeien?

  344. 56:65

    لَوْ نَشَآءُ لَجَعَلْنَٰهُ حُطَٰمًا فَظَلْتُمْ تَفَكَّهُونَ

    Law nashao lajaAAalnahu hutaman fathaltum tafakkahoona

    Als Wij zouden willen, dan zouden Wij het laten verdorren, zodat jullie het zouden blijven betreuren.

  345. 56:66

    إِنَّا لَمُغْرَمُونَ

    Inna lamughramoona

    (En zeiden:) "Voorwaar, wij zijn zeker met schuld beladen.

  346. 56:67

    بَلْ نَحْنُ مَحْرُومُونَ

    Bal nahnu mahroomoona

    Wij zijn zelfs beroofd."

  347. 56:68

    أَفَرَءَيْتُمُ ٱلْمَآءَ ٱلَّذِى تَشْرَبُونَ

    Afaraaytumu almaa allathee tashraboona

    Hoe denken jullie dan over het water dat jullie drinken?

  348. 56:69

    ءَأَنتُمْ أَنزَلْتُمُوهُ مِنَ ٱلْمُزْنِ أَمْ نَحْنُ ٱلْمُنزِلُونَ

    Aantum anzaltumoohu mina almuzni am nahnu almunziloona

    Zijn jullie het die het uit de wolken doen neerkomen of zijn Wij de neerzenders?

  349. 56:70

    لَوْ نَشَآءُ جَعَلْنَٰهُ أُجَاجًا فَلَوْلَا تَشْكُرُونَ

    Law nashao jaAAalnahu ojajan falawla tashkuroona

    Als Wij zouden willen, dan zouden Wij het tot zout water maken. Waren jullie maar dankbaar!

  350. 56:71

    أَفَرَءَيْتُمُ ٱلنَّارَ ٱلَّتِى تُورُونَ

    Afaraaytumu alnnara allatee tooroona

    Hoe denken jullie dan over het vuur dat jullie ontsteken?

  351. 56:72

    ءَأَنتُمْ أَنشَأْتُمْ شَجَرَتَهَآ أَمْ نَحْنُ ٱلْمُنشِـُٔونَ

    Aantum anshatum shajarataha am nahnu almunshioona

    Hebben jullie de boom daarvoor voortgebracht, of zijn Wij de voortbrengers?

  352. 56:73

    نَحْنُ جَعَلْنَٰهَا تَذْكِرَةً وَمَتَٰعًا لِّلْمُقْوِينَ

    Nahnu jaAAalnaha tathkiratan wamataAAan lilmuqweena

    Wij hebben het (vuur) gemaakt ter herinnering en tot nut voor de reizigers.

  353. 56:74

    فَسَبِّحْ بِٱسْمِ رَبِّكَ ٱلْعَظِيمِ

    Fasabbih biismi rabbika alAAatheemi

    Prijst daarom de Naam van jouw Heer, de Geweldige.

  354. 56:75

    ۞ فَلَآ أُقْسِمُ بِمَوَٰقِعِ ٱلنُّجُومِ

    Fala oqsimu bimawaqiAAi alnnujoomi

    Ik zweer bij het vallen van de sterren.

  355. 56:76

    وَإِنَّهُۥ لَقَسَمٌ لَّوْ تَعْلَمُونَ عَظِيمٌ

    Wainnahu laqasamun law taAAlamoona AAatheemun

    En voorwaar, dat is zeker een geweldige eed, als jullie dat begrepen!

  356. 56:77

    إِنَّهُۥ لَقُرْءَانٌ كَرِيمٌ

    Innahu laquranun kareemun

    En voorwaar, dit is zeker de nobele Koran.

  357. 56:78

    فِى كِتَٰبٍ مَّكْنُونٍ

    Fee kitabin maknoonin

    In een welbewaard Boek.

  358. 56:79

    لَّا يَمَسُّهُۥٓ إِلَّا ٱلْمُطَهَّرُونَ

    La yamassuhu illa almutahharoona

    Dat niemand aanraakt dan de gereinigden.

  359. 56:80

    تَنزِيلٌ مِّن رَّبِّ ٱلْعَٰلَمِينَ

    Tanzeelun min rabbi alAAalameena

    Een neerzending van de Heer der Werelden.

  360. 56:81

    أَفَبِهَٰذَا ٱلْحَدِيثِ أَنتُم مُّدْهِنُونَ

    Afabihatha alhadeethi antum mudhinoona

    Onderschatten jullie deze Koran dan?

  361. 56:82

    وَتَجْعَلُونَ رِزْقَكُمْ أَنَّكُمْ تُكَذِّبُونَ

    WatajAAaloona rizqakum annakum tukaththiboona

    En nemen jullie het loochenen (als dankbetuiging voor) jullie levensvoorziening?

  362. 56:83

    فَلَوْلَآ إِذَا بَلَغَتِ ٱلْحُلْقُومَ

    Falawla itha balaghati alhulqooma

    Waren jullie maar, toen (de ziel) de keel bereikte.

  363. 56:84

    وَأَنتُمْ حِينَئِذٍ تَنظُرُونَ

    Waantum heenaithin tanthuroona

    En jullie op dat moment toezagen.

  364. 56:85

    وَنَحْنُ أَقْرَبُ إِلَيْهِ مِنكُمْ وَلَٰكِن لَّا تُبْصِرُونَ

    Wanahnu aqrabu ilayhi minkum walakin la tubsiroona

    En Wij dichter bij hem waren dan jullie - maar jullie zagen het niet.

  365. 56:86

    فَلَوْلَآ إِن كُنتُمْ غَيْرَ مَدِينِينَ

    Falawla in kuntum ghayra madeeneena

    Waren jullie toen maar niet verantwoordelijk geweest.

  366. 56:87

    تَرْجِعُونَهَآ إِن كُنتُمْ صَٰدِقِينَ

    TarjiAAoonaha in kuntum sadiqeena

    Dan zouden jullie haar (de ziel) terugbrengen, als jullie waarachtig geweest waren.

  367. 56:88

    فَأَمَّآ إِن كَانَ مِنَ ٱلْمُقَرَّبِينَ

    Faamma in kana mina almuqarrabeena

    Als hij (de ziel) tot de nabijgebrachten behoort.

  368. 56:89

    فَرَوْحٌ وَرَيْحَانٌ وَجَنَّتُ نَعِيمٍ

    Farawhun warayhanun wajannatu naAAeemin

    (Dan zijn er voor de ziel) rust en voorzieningen en de Tuinen van gelukzaligheid (het Paradijs).

  369. 56:90

    وَأَمَّآ إِن كَانَ مِنْ أَصْحَٰبِ ٱلْيَمِينِ

    Waamma in kana min ashabi alyameeni

    Als hij tot de mensen aan de rechterzijde behoort.

  370. 56:91

    فَسَلَٰمٌ لَّكَ مِنْ أَصْحَٰبِ ٱلْيَمِينِ

    Fasalamun laka min ashabi alyameeni

    (Luidt de begroeting.) "Vrede zij met jou," van de mensen van de rechterzijde.

  371. 56:92

    وَأَمَّآ إِن كَانَ مِنَ ٱلْمُكَذِّبِينَ ٱلضَّآلِّينَ

    Waamma in kana mina almukaththibeena alddalleena

    En als hij tot de dwalende loochenaars behoort.

  372. 56:93

    فَنُزُلٌ مِّنْ حَمِيمٍ

    Fanuzulun min hameemin

    Dan is er een onthaal van kokend water.

  373. 56:94

    وَتَصْلِيَةُ جَحِيمٍ

    Watasliyatu jaheemin

    En roostering in Djahîm (de Hel).

  374. 56:95

    إِنَّ هَٰذَا لَهُوَ حَقُّ ٱلْيَقِينِ

    Inna hatha lahuwa haqqu alyaqeeni

    Voorwaar, dit is zeker de stellige Waarheid.

  375. 56:96

    فَسَبِّحْ بِٱسْمِ رَبِّكَ ٱلْعَظِيمِ

    Fasabbih biismi rabbika alAAatheemi

    Prijst daarom de Naam van jouw Heer, de Geweldige.

  376. Soera Al-Hadid سُورَةُ الحديد
  377. 57:1

    بِسْمِ ٱللَّهِ ٱلرَّحْمَٰنِ ٱلرَّحِيمِ سَبَّحَ لِلَّهِ مَا فِى ٱلسَّمَٰوَٰتِ وَٱلْأَرْضِ ۖ وَهُوَ ٱلْعَزِيزُ ٱلْحَكِيمُ

    Sabbaha lillahi ma fee alssamawati waalardi wahuwa alAAazeezu alhakeemu

    Wat er in de hemelen en op de aarde is prijst de Glorie van Allah, en Hij is de Almachtige, de Alwijze.

  378. 57:2

    لَهُۥ مُلْكُ ٱلسَّمَٰوَٰتِ وَٱلْأَرْضِ ۖ يُحْىِۦ وَيُمِيتُ ۖ وَهُوَ عَلَىٰ كُلِّ شَىْءٍ قَدِيرٌ

    Lahu mulku alssamawati waalardi yuhyee wayumeetu wahuwa AAala kulli shayin qadeerun

    Aan Hem behoort de heerschappij van de hemelen en de aarde. Hij doet leven en Hij doet sterven en Hij is Almachtig over alle zaken.

  379. 57:3

    هُوَ ٱلْأَوَّلُ وَٱلْـَٔاخِرُ وَٱلظَّٰهِرُ وَٱلْبَاطِنُ ۖ وَهُوَ بِكُلِّ شَىْءٍ عَلِيمٌ

    Huwa alawwalu waalakhiru waalththahiru waalbatinu wahuwa bikulli shayin AAaleemun

    Hij is de Eerste en de Laatste, Az Zhâhir en Al Bâthin. En Hij is Alwetend over alle zaken.

  380. 57:4

    هُوَ ٱلَّذِى خَلَقَ ٱلسَّمَٰوَٰتِ وَٱلْأَرْضَ فِى سِتَّةِ أَيَّامٍ ثُمَّ ٱسْتَوَىٰ عَلَى ٱلْعَرْشِ ۚ يَعْلَمُ مَا يَلِجُ فِى ٱلْأَرْضِ وَمَا يَخْرُجُ مِنْهَا وَمَا يَنزِلُ مِنَ ٱلسَّمَآءِ وَمَا يَعْرُجُ فِيهَا ۖ وَهُوَ مَعَكُمْ أَيْنَ مَا كُنتُمْ ۚ وَٱللَّهُ بِمَا تَعْمَلُونَ بَصِيرٌ

    Huwa allathee khalaqa alssamawati waalarda fee sittati ayyamin thumma istawa AAala alAAarshi yaAAlamu ma yaliju fee alardi wama yakhruju minha wama yanzilu mina alssamai wama yaAAruju feeha wahuwa maAAakum ayna ma kuntum waAllahu bima taAAmaloona baseerun

    Hij is Degene Die de hemelen en de aarde heeft geschapen in zes dagen (perioden) waarna Hij Zich op de Troon zetelde. Hij kent wat de aarde ingaat en wat er uit komt en wat uit de hemel neerdaalt en wat er in opstijgt. En Hij is met jullie, waar jullie ook zijn. En Allah is Alziende over wat jullie doen.

  381. 57:5

    لَّهُۥ مُلْكُ ٱلسَّمَٰوَٰتِ وَٱلْأَرْضِ ۚ وَإِلَى ٱللَّهِ تُرْجَعُ ٱلْأُمُورُ

    Lahu mulku alssamawati waalardi waila Allahi turjaAAu alomooru

    Aan Hem behoort de heerschappij van de hemelen en de aarde. En tot Allah keren de zaken terug.

  382. 57:6

    يُولِجُ ٱلَّيْلَ فِى ٱلنَّهَارِ وَيُولِجُ ٱلنَّهَارَ فِى ٱلَّيْلِ ۚ وَهُوَ عَلِيمٌۢ بِذَاتِ ٱلصُّدُورِ

    Yooliju allayla fee alnnahari wayooliju alnnahara fee allayi wahuwa AAaleemun bithati alssudoori

    Hij doet de nacht overgaan in de dag en Hij doet de dag overgaan in de nacht. En Hij is de Kenner van wat in de harten is.

  383. 57:7

    ءَامِنُوا۟ بِٱللَّهِ وَرَسُولِهِۦ وَأَنفِقُوا۟ مِمَّا جَعَلَكُم مُّسْتَخْلَفِينَ فِيهِ ۖ فَٱلَّذِينَ ءَامَنُوا۟ مِنكُمْ وَأَنفَقُوا۟ لَهُمْ أَجْرٌ كَبِيرٌ

    Aminoo biAllahi warasoolihi waanfiqoo mimma jaAAalakum mustakhlafeena feehi faallatheena amanoo minkum waanfaqoo lahum ajrun kabeerun

    Gelooft in Allah en Zijn Boodschapper en geeft bijdragen van dat waarover Hij jullie als beheerders aangesteld heeft. Voor degenen van jullie die geloven en bijdragen geven is er een grote beloning.

  384. 57:8

    وَمَا لَكُمْ لَا تُؤْمِنُونَ بِٱللَّهِ ۙ وَٱلرَّسُولُ يَدْعُوكُمْ لِتُؤْمِنُوا۟ بِرَبِّكُمْ وَقَدْ أَخَذَ مِيثَٰقَكُمْ إِن كُنتُم مُّؤْمِنِينَ

    Wama lakum la tuminoona biAllahi waalrrasoolu yadAAookum lituminoo birabbikum waqad akhatha meethaqakum in kuntum mumineena

    En wat is er met jullie, dat jullie niet geloven in Allah, terwijl de Boodschapper jullie oproept om te geloven in jullie Heer? En Hij is waarlijk een verbond met jullie aangegaan, als jullie gelovig zijn!

  385. 57:9

    هُوَ ٱلَّذِى يُنَزِّلُ عَلَىٰ عَبْدِهِۦٓ ءَايَٰتٍۭ بَيِّنَٰتٍ لِّيُخْرِجَكُم مِّنَ ٱلظُّلُمَٰتِ إِلَى ٱلنُّورِ ۚ وَإِنَّ ٱللَّهَ بِكُمْ لَرَءُوفٌ رَّحِيمٌ

    Huwa allathee yunazzilu AAala AAabdihi ayatin bayyinatin liyukhrijakum mina alththulumati ila alnnoori wainna Allaha bikum laraoofun raheemun

    Hij is Degene Die duidelijke Verzen naar Zijn dienaar doet neerdalen om jullie uit de duisternissen naar het licht te voeren. En voorwaar, Allah is voor jullie zeker Zachtmoedig en Meest Barmhartig.

  386. 57:10

    وَمَا لَكُمْ أَلَّا تُنفِقُوا۟ فِى سَبِيلِ ٱللَّهِ وَلِلَّهِ مِيرَٰثُ ٱلسَّمَٰوَٰتِ وَٱلْأَرْضِ ۚ لَا يَسْتَوِى مِنكُم مَّنْ أَنفَقَ مِن قَبْلِ ٱلْفَتْحِ وَقَٰتَلَ ۚ أُو۟لَٰٓئِكَ أَعْظَمُ دَرَجَةً مِّنَ ٱلَّذِينَ أَنفَقُوا۟ مِنۢ بَعْدُ وَقَٰتَلُوا۟ ۚ وَكُلًّا وَعَدَ ٱللَّهُ ٱلْحُسْنَىٰ ۚ وَٱللَّهُ بِمَا تَعْمَلُونَ خَبِيرٌ

    Wama lakum alla tunfiqoo fee sabeeli Allahi walillahi meerathu alssamawati waalardi la yastawee minkum man anfaqa min qabli alfathi waqatala olaika aAAthamu darajatan mina allatheena anfaqoo min baAAdu waqataloo wakullan waAAada Allahu alhusna waAllahu bima taAAmaloona khabeerun

    En wat is er met jullie, dat jullie geen bijdragen geven op de Weg van Allah, terwijl aan Allah de erfenis van de hemelen en de aarde behoort? Degenen van jullie die vóór de overwinning (bij Mekkah) bijdragen gaven en vochten, zijn niet gelijk, hun rang is hoger dan die van degenen die daarna bijdragen gaven en vochten. Maar beide groepen heeft Allah het goede (het Paradijs) beloofd. En Allah is Alwetend over wat jullie doen.

  387. 57:11

    مَّن ذَا ٱلَّذِى يُقْرِضُ ٱللَّهَ قَرْضًا حَسَنًا فَيُضَٰعِفَهُۥ لَهُۥ وَلَهُۥٓ أَجْرٌ كَرِيمٌ

    Man tha allathee yuqridu Allaha qardan hasanan fayudaAAifahu lahu walahu ajrun kareemun

    Wie is degene die aan Allah een goede lening geeft? Dan zal Hij deze verdubbelen voor hem en voor hem is er een rijke beloning.

  388. 57:12

    يَوْمَ تَرَى ٱلْمُؤْمِنِينَ وَٱلْمُؤْمِنَٰتِ يَسْعَىٰ نُورُهُم بَيْنَ أَيْدِيهِمْ وَبِأَيْمَٰنِهِم بُشْرَىٰكُمُ ٱلْيَوْمَ جَنَّٰتٌ تَجْرِى مِن تَحْتِهَا ٱلْأَنْهَٰرُ خَٰلِدِينَ فِيهَا ۚ ذَٰلِكَ هُوَ ٱلْفَوْزُ ٱلْعَظِيمُ

    Yawma tara almumineena waalmuminati yasAAa nooruhum bayna aydeehim wabiaymanihim bushrakumu alyawma jannatun tajree min tahtiha alanharu khalideena feeha thalika huwa alfawzu alAAatheemu

    Gedenkt de Dag waarop jij de gelovige mannen en de gelovigen vrouwen ziet. Hun licht straalt vóór hen en rechts van hen. (Er wordt hun gezegd:) "Deze Dag is er een verheugend bericht voor jullie: een Tuin waar onder door de rivieren stromen, (jullie zijn) daarin eeuwig levend. Dat is de geweldige overwinning."

  389. 57:13

    يَوْمَ يَقُولُ ٱلْمُنَٰفِقُونَ وَٱلْمُنَٰفِقَٰتُ لِلَّذِينَ ءَامَنُوا۟ ٱنظُرُونَا نَقْتَبِسْ مِن نُّورِكُمْ قِيلَ ٱرْجِعُوا۟ وَرَآءَكُمْ فَٱلْتَمِسُوا۟ نُورًا فَضُرِبَ بَيْنَهُم بِسُورٍ لَّهُۥ بَابٌۢ بَاطِنُهُۥ فِيهِ ٱلرَّحْمَةُ وَظَٰهِرُهُۥ مِن قِبَلِهِ ٱلْعَذَابُ

    Yawma yaqoolu almunafiqoona waalmunafiqatu lillatheena amanoo onthuroona naqtabis min noorikum qeela irjiAAoo waraakum failtamisoo nooran faduriba baynahum bisoorin lahu babun batinuhu feehi alrrahmatu wathahiruhu min qibalihi alAAathabu

    Op die Dag zullen de huichelaars en de huichelaarsters tegen degenen die geloven, zeggen: "Wacht op ons en zodat wij jullie licht gebruiken. " Er wordt gezegd: "Gaat terug, naar achteren jullie! Smeekt om licht!" Er zal dan een muur tussen hen worden geplaatst, die een poort heeft: aan de binnenkant is er de Barmhartigheid en aan de buitenkant is er de bestraffing.

  390. 57:14

    يُنَادُونَهُمْ أَلَمْ نَكُن مَّعَكُمْ ۖ قَالُوا۟ بَلَىٰ وَلَٰكِنَّكُمْ فَتَنتُمْ أَنفُسَكُمْ وَتَرَبَّصْتُمْ وَٱرْتَبْتُمْ وَغَرَّتْكُمُ ٱلْأَمَانِىُّ حَتَّىٰ جَآءَ أَمْرُ ٱللَّهِ وَغَرَّكُم بِٱللَّهِ ٱلْغَرُورُ

    Yunadoonahum alam nakun maAAakum qaloo bala walakinnakum fatantum anfusakum watarabbastum wairtabtum wagharratkumu alamaniyyu hatta jaa amru Allahi wagharrakum biAllahi algharooru

    Zij (de huichelaars) roepen tot hen (de gelovigen): "Waren wij niet met jullie?" Zij zeggen: '"Welzeker, maar jullie brachten jezelf in verzoeking en jullie wachtten en jullie twijfelden en de ijdele wensen hebben jullie misleid, tot de beschikking van Allah bewaarheid werd. En de verleider (de Satan) heeft jullie van Allah weggeleid.

  391. 57:15

    فَٱلْيَوْمَ لَا يُؤْخَذُ مِنكُمْ فِدْيَةٌ وَلَا مِنَ ٱلَّذِينَ كَفَرُوا۟ ۚ مَأْوَىٰكُمُ ٱلنَّارُ ۖ هِىَ مَوْلَىٰكُمْ ۖ وَبِئْسَ ٱلْمَصِيرُ

    Faalyawma la yukhathu minkum fidyatun wala mina allatheena kafaroo mawakumu alnnaru hiya mawlakum wabisa almaseeru

    Op deze Dag, zal er van jullie geen losprijs worden aanvaard, en ook niet van de ongelovigen. Jullie verblijfplaats is de Hel, dat is jullie beschermer. En dat is de slechtste plaats van terugkeer!"

  392. 57:16

    ۞ أَلَمْ يَأْنِ لِلَّذِينَ ءَامَنُوٓا۟ أَن تَخْشَعَ قُلُوبُهُمْ لِذِكْرِ ٱللَّهِ وَمَا نَزَلَ مِنَ ٱلْحَقِّ وَلَا يَكُونُوا۟ كَٱلَّذِينَ أُوتُوا۟ ٱلْكِتَٰبَ مِن قَبْلُ فَطَالَ عَلَيْهِمُ ٱلْأَمَدُ فَقَسَتْ قُلُوبُهُمْ ۖ وَكَثِيرٌ مِّنْهُمْ فَٰسِقُونَ

    Alam yani lillatheena amanoo an takhshaAAa quloobuhum lithikri Allahi wama nazala mina alhaqqi wala yakoonoo kaallatheena ootoo alkitaba min qablu fatala AAalayhimu alamadu faqasat quloobuhum wakatheerun minhum fasiqoona

    Is het voor degenen die geloven nog geen tijd, dat hun harten zich vernederen voor het gedenken van Allah en wat is geopenbaard van de Waarheid (de Koran)? En laten zij niet worden als degenen aan wie de Schrift (de Taurât) voorheen was gegeven. Toen werd de tijd voor hen te lang, zodat hun harten verhardden. En de meesten van hen zijn zwaar zondigen.

  393. 57:17

    ٱعْلَمُوٓا۟ أَنَّ ٱللَّهَ يُحْىِ ٱلْأَرْضَ بَعْدَ مَوْتِهَا ۚ قَدْ بَيَّنَّا لَكُمُ ٱلْـَٔايَٰتِ لَعَلَّكُمْ تَعْقِلُونَ

    IAAlamoo anna Allaha yuhyee alarda baAAda mawtiha qad bayyanna lakumu alayati laAAallakum taAAqiloona

    Weet dat Allah de aarde doet leven na haar dood. Waarlijk, Wij hebben voor jullie de Tekenen duidelijk gemaakt. Hopelijk zullen jullie begrijpen.

  394. 57:18

    إِنَّ ٱلْمُصَّدِّقِينَ وَٱلْمُصَّدِّقَٰتِ وَأَقْرَضُوا۟ ٱللَّهَ قَرْضًا حَسَنًا يُضَٰعَفُ لَهُمْ وَلَهُمْ أَجْرٌ كَرِيمٌ

    Inna almussaddiqeena waalmussaddiqati waaqradoo Allaha qardan hasanan yudaAAafu lahum walahum ajrun kareemun

    Voorwaar, de mannen die bijdragen geven en de vrouwen die bijdragen geven en Allah een goede lening geven: Hij zal (het) voor hen vermenigvuldigen en voor hen is er een rijke beloning.

  395. 57:19

    وَٱلَّذِينَ ءَامَنُوا۟ بِٱللَّهِ وَرُسُلِهِۦٓ أُو۟لَٰٓئِكَ هُمُ ٱلصِّدِّيقُونَ ۖ وَٱلشُّهَدَآءُ عِندَ رَبِّهِمْ لَهُمْ أَجْرُهُمْ وَنُورُهُمْ ۖ وَٱلَّذِينَ كَفَرُوا۟ وَكَذَّبُوا۟ بِـَٔايَٰتِنَآ أُو۟لَٰٓئِكَ أَصْحَٰبُ ٱلْجَحِيمِ

    Waallatheena amanoo biAllahi warusulihi olaika humu alssiddeeqoona waalshshuhadao AAinda rabbihim lahum ajruhum wanooruhum waallatheena kafaroo wakaththaboo biayatina olaika ashabu aljaheemi

    En degenen die in Allah en Zijn Boodschapper geloven: zij zijn de getrouwen en de getuigen bij hun Heer, voor hen is er hun beloning en hun licht. En degenen die ongelovig zijn en die Onze Verzen loochenen: zij zijn de bewonen van Djahîm (de Hel).

  396. 57:20

    ٱعْلَمُوٓا۟ أَنَّمَا ٱلْحَيَوٰةُ ٱلدُّنْيَا لَعِبٌ وَلَهْوٌ وَزِينَةٌ وَتَفَاخُرٌۢ بَيْنَكُمْ وَتَكَاثُرٌ فِى ٱلْأَمْوَٰلِ وَٱلْأَوْلَٰدِ ۖ كَمَثَلِ غَيْثٍ أَعْجَبَ ٱلْكُفَّارَ نَبَاتُهُۥ ثُمَّ يَهِيجُ فَتَرَىٰهُ مُصْفَرًّا ثُمَّ يَكُونُ حُطَٰمًا ۖ وَفِى ٱلْـَٔاخِرَةِ عَذَابٌ شَدِيدٌ وَمَغْفِرَةٌ مِّنَ ٱللَّهِ وَرِضْوَٰنٌ ۚ وَمَا ٱلْحَيَوٰةُ ٱلدُّنْيَآ إِلَّا مَتَٰعُ ٱلْغُرُورِ

    IAAlamoo annama alhayatu alddunya laAAibun walahwun wazeenatun watafakhurun baynakum watakathurun fee alamwali waalawladi kamathali ghaythin aAAjaba alkuffara nabatuhu thumma yaheeju fatarahu musfarran thumma yakoonu hutaman wafee alakhirati AAathabun shadeedun wamaghfiratun mina Allahi waridwanun wama alhayatu alddunya illa mataAAu alghuroori

    Weet dat het wereldse leven slechts een spel is, een vermaak, een versiering en opschepperij tussen jullie en wedijver in vermeerdering van bezit en kinderen, als de gelijkenis van een regen waarvan de planten (die zij voortbrengt) bij de boeren verwondering wekt. Daarna worden ze droog en je ziet ze geel worden, en vervolgens worden ze tot vergane resten. En in het Hiernamaals is er een harde bestraffing en een vergeving van Allah en welbehagen. En het wereldse leven is niets dan een verleidende genieting.

  397. 57:21

    سَابِقُوٓا۟ إِلَىٰ مَغْفِرَةٍ مِّن رَّبِّكُمْ وَجَنَّةٍ عَرْضُهَا كَعَرْضِ ٱلسَّمَآءِ وَٱلْأَرْضِ أُعِدَّتْ لِلَّذِينَ ءَامَنُوا۟ بِٱللَّهِ وَرُسُلِهِۦ ۚ ذَٰلِكَ فَضْلُ ٱللَّهِ يُؤْتِيهِ مَن يَشَآءُ ۚ وَٱللَّهُ ذُو ٱلْفَضْلِ ٱلْعَظِيمِ

    Sabiqoo ila maghfiratin min rabbikum wajannatin AAarduha kaAAardi alssamai waalardi oAAiddat lillatheena amanoo biAllahi warusulihi thalika fadlu Allahi yuteehi man yashao waAllahu thoo alfadli alAAatheemi

    Wedijvert naar vergeving van jullie Heer en een Tuin (het Paradijs) waarvan de breedte is als de breedte van de hemel en de aarde, die voorbereid is voor degenen die in Allah en Zijn Boodschapper geloven. Dat is de gunst van Allah die Hij schenkt aan wie Hij wil. En Allah is de Bezitter van de Geweldige Gunst.

  398. 57:22

    مَآ أَصَابَ مِن مُّصِيبَةٍ فِى ٱلْأَرْضِ وَلَا فِىٓ أَنفُسِكُمْ إِلَّا فِى كِتَٰبٍ مِّن قَبْلِ أَن نَّبْرَأَهَآ ۚ إِنَّ ذَٰلِكَ عَلَى ٱللَّهِ يَسِيرٌ

    Ma asaba min museebatin fee alardi wala fee anfusikum illa fee kitabin min qabli an nabraaha inna thalika AAala Allahi yaseerun

    Er treft de aarde of julliezelf geen ramp, of het het staat in een boek, vóórdat Wij het doen gebeuren. Voorwaar, dat is voor Allah gemakkelijk.

  399. 57:23

    لِّكَيْلَا تَأْسَوْا۟ عَلَىٰ مَا فَاتَكُمْ وَلَا تَفْرَحُوا۟ بِمَآ ءَاتَىٰكُمْ ۗ وَٱللَّهُ لَا يُحِبُّ كُلَّ مُخْتَالٍ فَخُورٍ

    Likayla tasaw AAala ma fatakum wala tafrahoo bima atakum waAllahu la yuhibbu kulla mukhtalin fakhoorin

    Opdat jullie niet zullen treuren over wat jullie is ontgaan en jullie niet opgetogen zullen raken over wat Hij jullie heeft gegeven. En Allah houdt van geen enkele verwaande opschepper.

  400. 57:24

    ٱلَّذِينَ يَبْخَلُونَ وَيَأْمُرُونَ ٱلنَّاسَ بِٱلْبُخْلِ ۗ وَمَن يَتَوَلَّ فَإِنَّ ٱللَّهَ هُوَ ٱلْغَنِىُّ ٱلْحَمِيدُ

    Allatheena yabkhaloona wayamuroona alnnasa bialbukhli waman yatawalla fainna Allaha huwa alghaniyyu alhameedu

    Degenen die gierig zijn en die de mensen tot gierigheid oproepen, en die zich afwenden. Voorwaar, Allah is de Behoefteloze, de Geprezene.

  401. 57:25

    لَقَدْ أَرْسَلْنَا رُسُلَنَا بِٱلْبَيِّنَٰتِ وَأَنزَلْنَا مَعَهُمُ ٱلْكِتَٰبَ وَٱلْمِيزَانَ لِيَقُومَ ٱلنَّاسُ بِٱلْقِسْطِ ۖ وَأَنزَلْنَا ٱلْحَدِيدَ فِيهِ بَأْسٌ شَدِيدٌ وَمَنَٰفِعُ لِلنَّاسِ وَلِيَعْلَمَ ٱللَّهُ مَن يَنصُرُهُۥ وَرُسُلَهُۥ بِٱلْغَيْبِ ۚ إِنَّ ٱللَّهَ قَوِىٌّ عَزِيزٌ

    Laqad arsalna rusulana bialbayyinati waanzalna maAAahumu alkitaba waalmeezana liyaqooma alnnasu bialqisti waanzalna alhadeeda feehi basun shadeedun wamanafiAAu lilnnasi waliyaAAlama Allahu man yansuruhu warusulahu bialghaybi inna Allaha qawiyyun AAazeezun

    Voorzeker, Wij hebben Onze Boodschappers met de duidelijke bewijzen gezonden en Wij hebben met hen het Boek en de wetgeving neergezonden, opdat de mens in het midden zou staan (rechtvaardig zou handelen). En Wij hebben het ijzer neergezonden, waarin grote macht is en voordelen voor de mensheid, opdat Allah zou doen weten wie Hem en Zijn Boodschappers helpt, zonder dat hij (bv. Allah en het Paradijs) kan waarnemen. Voorwaar, Allah is Sterk, Geweldig.

  402. 57:26

    وَلَقَدْ أَرْسَلْنَا نُوحًا وَإِبْرَٰهِيمَ وَجَعَلْنَا فِى ذُرِّيَّتِهِمَا ٱلنُّبُوَّةَ وَٱلْكِتَٰبَ ۖ فَمِنْهُم مُّهْتَدٍ ۖ وَكَثِيرٌ مِّنْهُمْ فَٰسِقُونَ

    Walaqad arsalna noohan waibraheema wajaAAalna fee thurriyyatihima alnnubuwwata waalkitaba faminhum muhtadin wakatheerun minhum fasiqoona

    En voorzeker zonden Wij Nôeh en Ibrâhîm en vestigden onder hun nakomelingen het Profeetschap en de Schrift. Onder hen waren er die de Leiding volgden, maar velen onder hen waren zwaar zondigen.

  403. 57:27

    ثُمَّ قَفَّيْنَا عَلَىٰٓ ءَاثَٰرِهِم بِرُسُلِنَا وَقَفَّيْنَا بِعِيسَى ٱبْنِ مَرْيَمَ وَءَاتَيْنَٰهُ ٱلْإِنجِيلَ وَجَعَلْنَا فِى قُلُوبِ ٱلَّذِينَ ٱتَّبَعُوهُ رَأْفَةً وَرَحْمَةً وَرَهْبَانِيَّةً ٱبْتَدَعُوهَا مَا كَتَبْنَٰهَا عَلَيْهِمْ إِلَّا ٱبْتِغَآءَ رِضْوَٰنِ ٱللَّهِ فَمَا رَعَوْهَا حَقَّ رِعَايَتِهَا ۖ فَـَٔاتَيْنَا ٱلَّذِينَ ءَامَنُوا۟ مِنْهُمْ أَجْرَهُمْ ۖ وَكَثِيرٌ مِّنْهُمْ فَٰسِقُونَ

    Thumma qaffayna AAala atharihim birusulina waqaffayna biAAeesa ibni maryama waataynahu alinjeela wajaAAalna fee quloobi allatheena ittabaAAoohu rafatan warahmatan warahbaniyyatan ibtadaAAooha ma katabnaha AAalayhim illa ibtighaa ridwani Allahi fama raAAawha haqqa riAAayatiha faatayna allatheena amanoo minhum ajrahum wakatheerun minhum fasiqoona

    Vervolgens deden Wij Onze Boodschappers elkaar in hun sporen opvolgen. En Wij deden 'Îsa, de zoon van Maryam, volgen en Wij gaven hem de Indjîl. En Wij plaatsten in de harten van degenen die hem volgden mededogen en barmhartigheid. En het monnikwezen (celibaat), dat hebben zij (zelf) toegevoegd; Wij hebben het hun niet voorgeschreven. (Zij deden het) slechts om het welbehagen van Allah te zoeken. Daarna onderhielden zij het niet naar behoren en Wij gaven degenen die geloven onder hen hun beloning, maar velen onder hen waren zwaar zondigen.

  404. 57:28

    يَٰٓأَيُّهَا ٱلَّذِينَ ءَامَنُوا۟ ٱتَّقُوا۟ ٱللَّهَ وَءَامِنُوا۟ بِرَسُولِهِۦ يُؤْتِكُمْ كِفْلَيْنِ مِن رَّحْمَتِهِۦ وَيَجْعَل لَّكُمْ نُورًا تَمْشُونَ بِهِۦ وَيَغْفِرْ لَكُمْ ۚ وَٱللَّهُ غَفُورٌ رَّحِيمٌ

    Ya ayyuha allatheena amanoo ittaqoo Allaha waaminoo birasoolihi yutikum kiflayni min rahmatihi wayajAAal lakum nooran tamshoona bihi wayaghfir lakum waAllahu ghafoorun raheemun

    O jullie die geloven, vreest Allah en gelooft in Zijn Boodschapper, dan zal Hij jullie dubbel van Zijn Barmhartigheid geven en jullie een licht geven waarmee jullie (recht) zullen voortgaan en Hij zal jullie vergeving schenken. En Allah is Vergevensgezind. Meest Barmhartig.

  405. 57:29

    لِّئَلَّا يَعْلَمَ أَهْلُ ٱلْكِتَٰبِ أَلَّا يَقْدِرُونَ عَلَىٰ شَىْءٍ مِّن فَضْلِ ٱللَّهِ ۙ وَأَنَّ ٱلْفَضْلَ بِيَدِ ٱللَّهِ يُؤْتِيهِ مَن يَشَآءُ ۚ وَٱللَّهُ ذُو ٱلْفَضْلِ ٱلْعَظِيمِ

    Lialla yaAAlama ahlu alkitabi alla yaqdiroona AAala shayin min fadli Allahi waanna alfadla biyadi Allahi yuteehi man yashao waAllahu thoo alfadli alAAatheemi

    Opdat de Lieden van de Schrift zullen weten dat zij geen enkele macht hebben over de gunst van Allah en dat de gunst in de Hand van Allah is. Hij geeft die aan wie Hij wil. En Allah is de Bezitter van de geweldige gunst.